Van Landschoot en de Drakenhoofd-molen bij de Dampoort te Brugge
Een reconstructie van de eigendomsverhoudingen rond de vroegere Drakenhoofd-molen, op basis van de Brugse zestendelen, met talrijke vermeldingen van Guille, Anna, Adriaen en Boudewijn Van Landschoot in de eerste helft van de zeventiende eeuw.
In de Brugse bronnen van het Zestendeel Brugge, Carmen, folio 815, duikt in het begin van de zeventiende eeuw een molen op die bekend stond als het Drakenhoofd, gelegen nabij de Dampoort. Het gaat om een olie- en wijntmolen waarvan de eigendom in verschillende delen was opgesplitst. Juist die versnipperde eigendom maakt het mogelijk de betrokken families stap voor stap te volgen. Onder de namen die in deze reeks akten telkens weer terugkeren, neemt de familie Van Landschoot een opvallende plaats in.
De bron vermeldt uitdrukkelijk dat gegevens van vóór 1607 hier niet werden opgenomen. Vanaf dat jaar begint echter een aaneenschakeling van giften, schuldbekentenissen, bezettingen en overdrachten waaruit blijkt hoe de molen in halve, vierde, achtste en zelfs kleinere delen werd verhandeld en bezwaard. Wat op het eerste gezicht een droge reeks notities lijkt, opent in werkelijkheid een venster op het economische leven van Brugge: molens waren waardevolle installaties, maar tegelijk ook onroerende goederen waarop renten, schulden en familiebelangen zwaar drukten.
De eerste vermelding van Guille Van Landschot in 1607
Op 14 lauwe 1607 gaf Joos van Ackerhout ghifte van de helftschede van deze molen aan Jan de Vleeschauwer en Guille Van Landschot. De akte noemt daarbij verschillende lasten: een jaarlijkse grondrente van drieëntwintig schellingen en achttien groten, verder nog dertig schellingen grooten per jaar, en bovendien een rente van twee ponden grooten tegen de penning zestien. Reeds uit deze eerste notitie blijkt dat de molen niet zomaar als een vrij goed werd overgedragen, maar als een bezit dat met vaste financiële verplichtingen was beladen.
Op dezelfde dag verbonden Jan de Vleeschauwer en Guille Van Landschot deze helft van de molen bovendien in een lopende schuld van honderd ponden grooten, ten voordele van Joos van Ackerhout. De aankoop en de schuld horen dus duidelijk samen: men verwierf een deel van de molen, maar financierde dat tegelijk met een aanzienlijke verbintenis.
Ook een andere helft van de molen wisselde in diezelfde periode van handen. Op 6 sporcle 1607 gaf Jan Vereecke met zijn vrouw ghifte van een andere helftschede, afkomstig van Baptist Willaijs. Meteen daarop werden ook op dit deel renten gevestigd en werd het verbonden in opnieuw een schuld van honderd ponden grooten. Zo tekent zich reeds in 1607 een patroon af: de Drakenhoofd-molen was een economisch actief goed, maar tegelijk een goed dat in verschillende handen zat en voortdurend werd bezwaard.
Een molen in delen verdeeld
De latere akten maken duidelijk hoe de molen almaar verder werd opgedeeld. Op 3 juli 1607 gaf Baptist Willaijs met zijn vrouw een vierendeel van deze wijntelmolen aan Frans Rodsaert de Jonge, opnieuw met de bestaande lasten en met bijkomende verplichtingen. Niet lang daarna, op de laatste juli van 1612, gaf dezelfde Baptist Willaijs een halve partij over aan Guille Van Landschot, zodat deze laatste zijn positie in de molen verder uitbouwde.
Nog diezelfde dag verbonden Guille Van Landschot en zijn vrouw dit goed in een lopende schuld van drieëntachtig ponden, zes schellingen en acht groten, wederom ten voordele van Baptist Willaijs. Die akte is bijzonder belangrijk, omdat zij toont dat Guille Van Landschot niet enkel als mede-eigenaar, maar ook als actieve partij in de financiële exploitatie van het molengoed optreedt.
Vervolgens zien we hoe op 1 juli 1614 opnieuw een vierde deel van de molen door Baptist Willaijs werd gegeven aan Symoen Spranghe, en hoe kort daarna, op 19 augustus 1614, een verbintenis werd opgemaakt ten profijte van Guille Van Landschot in verband met de koop van dat vierde deel. Een dag later, op 20 augustus 1614, gaf Guilles Van Landschot met zijn vrouw alweer een vierde deel van deze molen aan Jan Verzandt, waarna Jan Verzandt op zijn beurt dat vierde deel in een schuld van vijfhonderd guldens verbond ten voordele van Guille Van Landschot.
Hieruit blijkt duidelijk dat Guille Van Landschot in deze jaren een centrale figuur was in de eigendomsgeschiedenis van de molen. Hij trad niet enkel op als mede-ontvanger van delen van het goed, maar ook als schuldeiser en als schakel in verdere overdrachten.
Van Vleeschauwer naar Van Steghen en terug naar Van Landschoot
In 1615 en 1617 wordt opnieuw een andere lijn van eigendom zichtbaar. Jacques de Muynck en Tanneken, dochter van Jan de Vleeschauwer, gaven in 1615 een achtste deel aan Jan de Vleeschauwer de jonge. Op 18 april 1617 gaf Jan de Vleeschauwer met zijn vrouw een achtste deel van de molen aan Claeijs van Steghen, met opgave van de bestaande renten en lasten.
Nauwelijks enkele maanden later, op 4 juli 1617, gaf Claeijs van Steghen met zijn vrouw opnieuw een deel van de molen aan Guille Landsocht. Ook al is de tekst in dit punt niet overal even helder leesbaar, toch staat vast dat de naam Van Landschoot ook hier opnieuw verschijnt als ontvanger van een aandeel in de molen.
Op 20 september 1617 gaf Guillaume Van Landsocht, gemachtigd over zijn vrouw, vervolgens een achtste deel van deze molen aan Maeijken van Kerckhove. Deze reeks van verwervingen en vervreemdingen laat zien hoe snel aandelen konden worden doorgegeven, wellicht in functie van schulden, familieverhoudingen en kapitaalbehoeften.
Anna, Adriaen en Boudewijn Van Landschoot
Vanaf het midden van de jaren twintig verschijnen nog andere leden van de familie in de registers. Op 9 juli 1625 gaven Cornelis Wouckier en joncvrauwe Anna Van Landsocht, samen met Guille Van Landsocht, ghifte van 2/24 deel van de molen aan Boudewijn van Landsocht. Deze akte is bijzonder veelzeggend, omdat hier niet alleen Guille, maar ook Anna Van Landschoot en Boudewijn Van Landschoot in één en dezelfde context voorkomen.
Enkele jaren later, op 29 juli 1632, verbonden Guillaume Van Landsocht en zijn vrouw een achtste deel van de molen tot zekerheid van Boudewijn van Landsocht, wegens borgstellingen die hij had opgenomen of nog zou moeten verantwoorden. Dat is een uitzonderlijk waardevolle passage, omdat ze wijst op een onderlinge financiële band binnen de familie.
Op 21 september 1632 gaf Guillaume Van Landtsocht met zijn vrouw datzelfde achtste deel aan Boudewijn Van Landsocht, onder bepaalde voorwaarden en met de vermelding dat men er nog vijfhonderd gulden bovenop mocht leggen over de koopsom. De overgang van Guillaume naar Boudewijn is hier dus uitdrukkelijk vastgelegd.
Op 22 wedemaent 1634 gaven vervolgens Cornelis Wouckier en Anna Van Landsocht opnieuw een achtste deel van deze molen aan Boudewijn van Landsocht. Deze akte sluit inhoudelijk aan bij die van 1625 en bevestigt dat Boudewijn in de jaren dertig verschillende delen van de molen in handen wist te verzamelen.
Op 17 lauwe 1640 komt nog een andere naam uit de familie naar voren: Adriaen Van Landschot en zijn vrouw gaven ghifte van een 1/16 part van de molen aan Boudewijn van Landschot. Daarmee wordt duidelijk dat Boudewijn in deze periode als het ware het knooppunt vormde waar verschillende familiale aandelen naartoe vloeiden.
Latere vermeldingen en het verdere lot van de molen
Ook na deze familiefase bleef de molen in omloop als verdeeld en bezwaard bezit. Zo wordt op 10 november 1650 een zestiende deel overgedragen aan Cornelis filius Jacques Roose, en op 26 augustus 1655 gaf deze laatste een zestiende deel van de olie- en wijntmolen aan Jooris Vansevelant. Tussendoor staat nog een korte notitie dat de molen op 4 augustus 1653 elders in de registers werd vermeld.
Hoewel niet elk detail van deze versnipperde eigendomsgeschiedenis eenvoudig te reconstrueren is, levert de reeks toch een bijzonder waardevol beeld op. De Drakenhoofd-molen was niet alleen een molen, maar ook een investeringsgoed, een onderpand, een familiebezit en een bron van inkomsten. In die wirwar van renten, schulden en overdrachten duikt de familie Van Landschoot herhaaldelijk op als eigenaar, mede-eigenaar, schuldeiser of overnemer van aandelen.
Belangrijkste namen in de reeks: Guille Van Landschot, Anna Van Landsocht, Adriaen Van Landschot en Boudewijn Van Landschoot.
Belangrijkste data: 1607, 1612, 1614, 1617, 1625, 1632, 1634 en 1640.
Bronverwijzing: Zestendelen Brugge, Carmen, folio 815, met vervolgen op folio 834, 845 en latere verwijzingen.
Bron: Brugse zestendelen, Carmen, folio 815 en vervolgverwijzingen. De tekst hierboven is een verhalende reconstructie op basis van de aangeleverde akte-uittreksels. Bij moeilijk leesbare passages werd de kern van de vermelding behouden zonder verdergaande interpretatie.
English
Français
Español