Het sterfhuis van Gillis Van Lantschoot te Kaprijke
Een blik op het overlijden, de uitvaart, de schulden en de nalatenschap van pastoor Gillis (Egidius) Van Lantschoot, overleden te Kaprijke in januari 1640.
Gillis (Egidius) van Lantschoot stierf als pastoor van Kaprijke in januari 1640. Zijn overlijden bracht een uitgebreide afhandeling van zijn sterfhuis met zich mee, waarbij niet alleen de uitvaart werd geregeld, maar ook zijn bezittingen, openstaande schulden en persoonlijke nalatigheid aan het licht kwamen. Het bewaarde dossier laat toe om die laatste weken en de nasleep van zijn dood opmerkelijk nauwkeurig te reconstrueren.
De uitvaart van de pastoor
Na zijn overlijden werd Gillis afgelegd en gekist door Jan Cuelenbroeck. De doodkist werd gemaakt door Lieven De Key, timmerman van beroep, die daarvoor spiessenhout gebruikte en ringen aan de kist bevestigde. Alleen al de kist kostte drie pond groten. Lieven De Key zorgde ook voor tarwebrood voor de mensen die bij het lichaam waakten.
Voor de armen liet men zesentwintig masteluinbroden bakken, bestemd om na de uitvaart uit te delen. Elk brood woog acht pond, dus bijna vier kilogram, en kostte zeventien groot per stuk. Voor de plechtigheid zelf werden gewaden geleend in Watervliet. De klokluider en grafmaker Elias Van den Baecke bestelde in Eeklo bij wasmaker Adriaan Vermeire zestien pond witte was. Hij luidde viermaal tijdens de dagen dat de overledene nog boven aarde stond, en eveneens tijdens de eigenlijke kerkdienst. Guillaume De Smedt, kerkbaljuw van Kaprijke, trad op als roedrager.
Ook de kosten voor eten en drank liepen op. Matthijs Maeye leverde spijzen en drank voor de uitvaart voor een bedrag van drie pond en dertien schelling. De buren werden eveneens getrakteerd, wat nog eens één pond en drie schelling kostte. De wethouders van Kaprijke en de deken van Aardenburg dronken samen wijn voor vier schelling.
Begraven in Brugge
Gillis Van Lantschoot werd niet in Kaprijke begraven. Zijn lichaam werd door Elias Van den Baecke naar Brugge gevoerd. Antonius Cosijn, medepastoor van Gillis, reed mee op de wagen, terwijl Jan Cuelenbrouck hen te paard volgde. De tocht heen en terug nam in totaal drie dagen in beslag.
Hij werd begraven in de Augustijnenabdij te Brugge. Dat was niet toevallig: Gillis was immers een augustijnermonnik, afkomstig uit de abdij van Zevenborren te Sint-Genesius-Rode. Op bevel van de griffier van Kaprijke reisde Niclaas De Mol naar die abdij om het overlijden officieel aan de prior bekend te maken.
De nalatenschap geopend
Wanneer een priester zonder directe erfgenamen overleed, viel de regeling van zijn nalatenschap doorgaans toe aan de deken. In dit geval was dat Willem Van Houcke, pastoor te Watervliet en deken van de dekenij Aardenburg. Hij werd bijgestaan door Jan Hooft, griffier van Kaprijke.
In de pastorij begon men eerst met het tellen van het aanwezige geld. Daarbij waren naast de deken ook de burgemeesters Lieven Weytsens en Gillis Blancqaert aanwezig, evenals de schepenen Jacques Schollaert, Jan De Deckere, Christiaan Van Hyfte en Jooris Van Heede. Jan Hooft noteerde zorgvuldig de inhoud van allerlei zakjes met gouden en zilveren munten die in een koffer waren opgeborgen.
De gouden munten werden geschat op zesenzeventig pond, vijftien schelling en zes groot. Het zilveren geld vertegenwoordigde nog eens honderdachtenzeventig pond, negentien schelling en zes groot. Gillis Van Lantschoot was dus allerminst arm. Op bevel van bisschop N. de Haudion moest al dat geld naar Brugge worden overgebracht. Gillis De Vos verzorgde het vervoer, terwijl twee extra mannen meegingen om eventuele dieven af te schrikken.
Openbare verkoop en schulden
Kort na het overlijden werden de goederen van de overleden pastoor openbaar verkocht. Jammer genoeg worden de geveilde stukken in het geraadpleegde document niet afzonderlijk opgesomd. Wel is bekend dat burgemeester, schepenen, deken en andere aanwezigen na afloop samen verteerden ten huize van Pieter de Cupere, wat één pond en zeven schelling kostte. De schout Jan Goethals, die de verkoop en de kerkgeboden had afgekondigd, ontving zes schelling en acht groot.
De opbrengst van de meubelen werd vooral gebruikt om de vele openstaande schulden van Gillis te betalen. Daaruit blijkt dat hij een man was die wel middelen bezat, maar zijn betalingen vaak uitstelde of vergat.
De meid Katelijne Robert
De dienstmeid van de pastoor, Katelijne Robert, wordt omschreven als een oude en “kaducke” vrouw die tijdens haar dienst nauwelijks iets ontvangen had. Ze mocht gebruik maken van een bed van de pastoor, van dekens, slaaplakens en een spinnewiel. Anderhalf jaar had zij hem gediend, en na zijn dood kreeg zij uiteindelijk vier pond en acht groot, dezelfde som die zij eerder had ontvangen toen zij gediend had bij de baljuw van Wondelgem.
Na het overlijden verbleef Katelijne nog negen weken bij Matthijs Maeye. Die eiste vervolgens één pond, acht schelling en acht groot voor dertig maaltijden en haar logies. Ook dat moest uit het sterfhuis worden betaald.
Een pastoor die slecht betaalde
Uit de rekeningen blijkt dat Gillis Van Lantschoot een notoire slechte betaler was. Matthijs Maeye had hem herhaaldelijk bier en wijn geleverd. In 1639 had hij te Sluis zelfs een karteel wijn gekocht terwijl de pastoor aanwezig was, maar deze had niet genoeg geld op zak om te betalen. Het lege vat moest later nog worden terugbezorgd. Zelfs een tinnen bord en een boek die de pastoor van hem had geleend, moesten nog worden teruggegeven.
De spanningen hierover waren niet nieuw. Reeds in 1634 had de pastoor een proces gevoerd tegen Matthijs Maeye over een partij wijn van dertien patacons, waarvoor hij vermindering vroeg omdat er zeven pinten te weinig in zouden zijn geweest. Gheeraert Bockstael, procureur bij de vierschaar van Kaprijke, verdedigde hem toen, en eiste nu na zijn dood alsnog het loon voor zijn juridische bijstand.
Ook in andere zaken raakte Gillis betrokken. In 1633 procedeerde hij tegen Guillaume De Schepper over een karteel Franse wijn. In datzelfde jaar verdedigde procureur Bockstael hem opnieuw in een conflict rond het huwelijk van Elisabeth De Mol en Joos Gautsem, dat door verschillende personen werd tegengewerkt. Nog in 1633 liet de pastoor Matthijs Maeye dagvaarden omdat die weigerde een mis te betalen die in diens intentie was opgedragen aan Onze-Lieve-Vrouw van Stoepe.
Verder voerde hij processen tegen jonkheer Aernout Hauweel, Frans de Meulemeester en Hubrecht van Keleghem in verband met betaling van tiendepacht. Ook de weduwe van Jan Bruynsteen, ontvanger van de kerk, had nog vorderingen wegens achterstallig loon van haar man en wegens geleverde hoeveelheden bier, hop en haver. Zelfs de kleine traktatie van Antwerps bier die tijdens een zitting in oktober 1639 was geschonken, bleek na zijn dood nog onbetaald.
Gevangen te Aardenburg
Een bijzonder opvallend gegeven is dat Gillis Van Lantschoot in oktober 1637 gedurende enkele maanden in Aardenburg werd vastgehouden door de protestanten. Zulke verplichte verblijven kwamen in die tijd vaker voor als vorm van represaille. Ook deken Van Houcke had ooit in IJzendijke vastgezeten, en de paters van Zoetendale werden een tijdlang in Sluis opgehouden.
Tijdens zijn verblijf in Aardenburg maakte Gillis allerlei kosten. Hubrecht van Keleghem stond voor hem borg en betaalde onder meer huishuur, lakens, specerijen, beschuit, boter en andere benodigdheden, samen goed voor veertien pond. De pastoor had daarvan slechts een deel terugbetaald. Omdat Van Keleghem zelf nog vier pond aan de pastoor verschuldigd was voor de pacht van een huis dat aan de kerk toebehoorde, bleef er uiteindelijk nog zeven pond en tien schelling te vorderen op Gillis.
Ook de kerkbaljuw Guillaume De Smedt kocht voor de gevangen pastoor schoenen, tarwebroden en aberdaan, terwijl Antonius Piers vis leverde. Dokter Duerman uit Sluis kwam hem viermaal bezoeken, en ook die rekening bleef open. Daarnaast waren er medische kosten bij apotheker Jacques de Genez uit Gent, die siropen, purgatiemiddelen, zalf en andere geneesmiddelen leverde toen Gillis in april 1639 ziek was.
Een uitgebreid netwerk van kleine schulden
Tal van kleinere leveranciers en helpers dienden na de dood van de pastoor hun rekening in. Zo leverde Christoffel Verschueren patrijzen en kwartels, spitste hij de tuin om en deed hij allerlei reizen. Mailjaert De Cock poetste de pastorij, haalde wijn in Aardenburg, leverde vogels en peren, en gaf zelfs eerder ontvangen steekgaren terug omdat hij liever geld ontving.
Jacques Van Hecke brouwde meermaals bier voor de pastoor in de brouwerij van Joos Mortier en kocht daarnaast wijn, brandewijn, kaarsen en specerijen. Jacques De Mey vervoerde mout en hout en reed met de pastoor naar Brugge. Ook de molenaar Aernout de Notere, Cornelis De Doncker, Elias Van den Baecke en pasteibakker Jacques Spruyte hadden nog kleine bedragen te goed.
Zelfs Gheraerd Hutsebout, officier van Maldegem, kwam nog met een rekening. Toen Gillis te Aardenburg gevangen zat, had hij in opdracht van de pastoor een driedaagse reis ondernomen naar Brugge en Eeklo om geld op te halen dat aan de pastorij van Kaprijke toebehoorde. Ook dat moest uit het sterfhuis worden vergoed.
Afhandeling van het sterfhuis
Uiteindelijk betaalde griffier Jan Hooft de meeste schulden met de opbrengst van de verkoop van het huisraad, en dat met toestemming van de deken. Burgemeester Weytsens was aanwezig bij die betalingen, die plaatsvonden in maart 1640.
Hooft betaalde daarna ook nog herstellingen aan de priesterage, waar Antonius Cosijn tijdelijk zou wonen. Een nieuwe pastoor, Cornelis Courtois, zou een ander pastoreel huis betrekken in de Weststraat, recht tegenover de kerk. Dat huis was nog met stro gedekt, en ook daarvoor moesten nog kosten worden vereffend.
Op de achtergrond speelde bovendien een oudere ruzie tussen Gillis Van Lantschoot en Antonius Cosijn. Vooral in 1635 was het conflict scherp geworden. Gillis was pastoor van de tweede portie en Cosijn van de eerste portie. Hun twist ging onder meer over de bediening van de sacramenten en over inkomsten van de kerk, waaronder een fundatie van dertig missen.
Het dossier rond het sterfhuis van Gillis Van Lantschoot is veel meer dan een droge rekeningstaat. Het laat een levendig beeld zien van het dagelijkse leven van een zeventiende-eeuwse pastoor: zijn uitvaart, zijn dienstmeid, zijn leveranciers, zijn processen, zijn gevangenschap, zijn medische zorgen en zelfs zijn persoonlijke zwakheid als betaler. Juist daardoor komt de figuur van Gillis verrassend menselijk en tastbaar naar voren.
Bron: Daniel Verstraete, op basis van Brugge, Rijksarchief, Fonds De Hoop, nr. 921.
Zie ook:
Egidius van Lantschoot ten tijde van aartsbisschop Hovius in het Bisdom Mechelen.
English
Español
Français