Willeboort van Landtschoot
Driemaal gehuwd, eigenaar van huizen en landerijen, dismeester van Sint-Kruis en Sint-Anna en in 1587 overleden tijdens zijn gevangenschap te Sluis.
Het parochieregister van Sint-Kruis en Sint-Anna bewaart een korte maar aangrijpende mededeling over het einde van Willeboort van Landtschoot. Op 22 september 1587 werden zijn uitvaartplechtigheden gehouden. De geestelijke noteerde dat Willeboort, dismeester van de armendis, door de Sluizenaars gevangen was genomen en tijdens zijn gevangenschap was overleden.
Deze enkele regels vormen het sluitstuk van een uitvoerig levensverhaal dat uit tientallen andere akten kon worden gereconstrueerd. Zij verbinden zijn drie huwelijken, zijn kinderen, het huizenbezit in de Brugse Langestraat, zijn landaankopen in Oedelem en zijn openbare functie rechtstreeks met de oorlogsomstandigheden van de jaren 1580.
Het overlijdensbericht van 22 september 1587
Een voorzichtige Nederlandse vertaling luidt:
Op 22 september vierde ik de uitvaartplechtigheden van Willebrord van Lanschot, dismeester van de armendis, die door of bij de Sluizenaars gevangen was genomen en tijdens zijn gevangenschap overleed.
Voor de plechtigheid werden drie posten van telkens vijf schellingen aangerekend, waaronder vijf schellingen voor de kerk en vijf schellingen voor het koor.
Uitleg van de Latijnse formulering
- Exequias celebravi: “ik heb de uitvaart- of dodenplechtigheden gevierd”. Dit kan zowel een gewone uitvaart als een herdenkingsdienst zonder aanwezig lichaam aanduiden.
- Willebrordi van Lanschot: Latijnse naamvalsvorm van Willebrord of Willeboort van Landtschoot. De spelling Lanschot is een van de vele historische schrijfwijzen van de familienaam.
- Magister mensae pauperum: letterlijk meester of beheerder van de tafel der armen; in de plaatselijke administratie komt dit overeen met een dismeester.
- Captus in Slusensibus: de precieze nuance is niet volledig eenduidig. De woorden wijzen erop dat hij door, onder of in verband met de inwoners of troepen van Sluis gevangen was genomen.
- In captivitate obiit: hij overleed in gevangenschap.
De tekst noemt Willeboort niet als soldaat. Hij wordt uitsluitend met zijn maatschappelijke functie als dismeester aangeduid. Het is daarom niet bewezen dat hij als krijgsman aan de strijd rond Sluis deelnam.
Sluis en de oorlogsomstandigheden van 1587
Willeboorts dood moet worden gezien tegen de achtergrond van de Tachtigjarige Oorlog. Sluis was een belangrijke versterkte havenstad en vormde een strategische toegang tot het Zwin en de Vlaamse kust. De stad was in Staatse en Engelse handen en werd in de zomer van 1587 belegerd door het leger van Alexander Farnese, hertog van Parma.
De aanwezigheid van een vijandelijke vesting in het grensgebied had gevolgen voor het dagelijkse leven in het Brugse Vrije. Vanuit garnizoenssteden werden uitvallen uitgevoerd, reizigers konden worden aangehouden en inwoners uit de omgeving konden als gevangenen worden meegenomen. Gevangenneming diende soms om inlichtingen te verkrijgen, gevangenen uit te wisselen of losgeld af te dwingen.
De parochiale notitie deelt niet mee waarom Willeboort naar Sluis was gereisd of hoe hij in handen van de Sluizenaars kwam. Hij kan onderweg zijn aangehouden, tijdens een plaatselijke militaire actie zijn gevangengenomen of voor een zakelijke, bestuurlijke of persoonlijke opdracht in het gebied hebben verbleven.
Evenmin weten we of hij al vóór het grote beleg gevangenzat of pas tijdens de strijd van 1587 werd opgepakt. De bron laat alleen toe met zekerheid te zeggen dat hij in verband met Sluis gevangen werd gehouden en vóór 22 september 1587 in die gevangenschap stierf.
Willeboort als dismeester van Sint-Kruis en Sint-Anna
De aanduiding als dismeester is geen toevallige toevoeging. In een akte uit 1585 trad Willeboort samen met Jan de Donckere, Laurens Zoete en Gabriel la Court op als beheerder van de armendissen van Sint-Kruis en Sint-Anna, buiten en binnen Brugge.
De dis was verantwoordelijk voor de georganiseerde armenzorg binnen een parochie. De dismeesters beheerden onder meer:
- geldmiddelen en schenkingen voor de armen;
- huizen, gronden en erfelijke renten;
- betalingen en uitdelingen aan behoeftige inwoners;
- rekeningen en juridische aanspraken van de instelling.
In 1585 werkte Willeboort mee aan de uitvoering van een schepenvonnis waarbij een jaarlijkse rente van twintig schellingen groten opnieuw aan het Karmelietenklooster werd overgedragen. Het kapitaal waarmee die rente tijdens de Brugse Alteratie was aangekocht, was afkomstig van broeder Pieter de Grijsse van het Karmelietenklooster.
Het ambt vereiste betrouwbaarheid, vertrouwdheid met geldzaken en voldoende maatschappelijk aanzien. Dat Willeboort in zijn overlijdensbericht nog steeds als dismeester werd omschreven, toont dat deze functie een belangrijk onderdeel van zijn openbare identiteit was.
Eerste huwelijk — Livina van den Bogaerde
Willeboorts eerste echtgenote was Livina van den Bogaerde, dochter van Hendrick van den Bogaerde en Tanneken, ook Anna Buus genoemd.
Via Livina kwamen rechten uit de families Van den Bogaerde en Buus in het vermogen van het gezin Van Landtschoot terecht. In een latere boedelakte wordt een recht van tien schellingen groten genoemd dat na het overlijden van Tanneken Buus uit twee huizen in de Langestraat was voortgekomen.
Uit het huwelijk van Willeboort en Livina worden in de verzamelde akten minstens de volgende kinderen genoemd:
- Willeboort van Landtschoot de jongere, later kaarsgieter en gehuwd met Tannekin, Anna of Joanna van Cotengijs;
- Adriaeneken van Landtschoot, gehuwd met Pauwels Hogkin;
- Adriaen van Landtschoot, die in 1594 nog onder voogdij stond.
De gelijknamige zoon werd na de dood van zijn vader een centrale figuur in de afwikkeling van het sterfhuis. Hij trad op als erfgenaam, voogd van jongere kinderen en koper van verschillende familieaandelen.
Tweede huwelijk — Lisbette Wittebroot
Willeboorts tweede echtgenote was Lisbette Wittebroot, dochter van Jan Wittebroot. Uit dit huwelijk werden minstens twee dochters geboren:
- Adriaeneken van Landtschoot;
- Maeijken van Landtschoot.
In 1572 traden Willeboort en Lisbette op bij een vrijwaring ten voordele van Jacob Wittebroot. Een huis beneden de Grote Eekhoutbrug was belast met een losrente van twintig schellingen groten, maar die last was bij de overdracht blijkbaar niet voldoende bekendgemaakt.
Als zekerheid verbonden Willeboort en Lisbette hun helft van een omvangrijk perceel aan de zuidzijde van de Langestraat, bij de Colomme. Het goed omvatte een huis, een houten poort, een schuur, koeienstallen, een varkenskot en een diep achtererf dat doorliep tot aan het goed van Sint-Obrecht.
Na Lisbettes overlijden liet Willeboort een staat van haar sterfhuis opmaken. Op 30 september 1578 werd die staat onder ede bevestigd. Haar twee dochters kregen samen een zuiver erfdeel van 91 pond, 19 schellingen, 1 grote en een halve grote.
Zij bleven daarnaast samen met hun vader gerechtigd in huizen aan de Langestraat, een strogedekt huis met schuur en erf, een rente op een hofstede in Zwevezele en verschillende openstaande schuldvorderingen.
Derde huwelijk — Jacquemijne Maes
Willeboorts derde en laatste echtgenote was Jacquemijne Maes, dochter van Jacob Maes. Uit dit huwelijk werden minstens drie kinderen geboren:
- Cathelijnken van Landtschoot;
- Fransken van Landtschoot;
- Mathijskin van Landtschoot.
Een akte van 1591 vermeldt dat de minderjarige kinderen van Willeboort en Jacquemijne samen nog recht hadden op 100 pond groten uit hun vaderlijke nalatenschap. Dit bedrag moest worden betaald zodra een kind huwde, een zelfstandige staat bereikte of overleed.
Na Willeboorts dood bleef Jacquemijne als weduwe en bezitster van het sterfhuis verschillende goederen beheren. Zij behield onder meer de helft van de landerijen die Willeboort in 1586 in Oedelem had aangekocht.
Jacquemijne hertrouwde met brouwer Bertholomeus de Langhe, die in brouwerij De Mareminne woonde. Daardoor kwamen twee samengestelde gezinnen bijeen: de kinderen van Bertholomeus uit een eerder huwelijk en de kinderen van Willeboort en Jacquemijne.
De grote landaankopen in Oedelem — 1586
Het jaar vóór zijn overlijden breidde Willeboort zijn grondbezit opvallend snel uit. In 1586 kocht hij minstens acht partijen land in de parochie Oedelem, op de heerlijkheid Praet.
- 8 mei 1586: 8 gemeten en 12 roeden, gekocht van Jacob van wie de familienaam onduidelijk is;
- 16 mei 1586: 12 gemeten en 66 roeden, gekocht van Pauwels de Jaegher;
- 12 juni 1586: 7 gemeten, gekocht van Jacob Hoorneweder;
- 18 juni 1586: 6 gemeten, gekocht van Pieter van Renterghem;
- 18 juni 1586: 1 gemet, gekocht van Pieter van Hecke;
- 17 augustus 1586: 5 gemeten en 1 lijn, gekocht van Joos Oste;
- 12 september 1586: 3½ gemet, gekocht van de weduwe van Lambrecht Hoorneweder;
- 12 december 1586: 2½ gemet, gekocht van Pauwels de Jaegher.
Samen vertegenwoordigen de percelen ongeveer vijfenveertig gemeten land. Verschillende stukken lagen ten westen of noordwesten van de kerk van Oedelem, wat doet vermoeden dat Willeboort bezig was een grotere, min of meer samenhangende landbouwexploitatie op te bouwen.
Bij de landerijen behoorden ook huizen, bomen en de opbrengst van het groeiende hout. Het ging dus niet alleen om onbebouwde akkers, maar om economisch bruikbare goederen met bijkomende inkomsten.
Zijn plotselinge dood in 1587 maakte een abrupt einde aan deze uitbreiding. Jacquemijne behield als weduwe de helft van de tijdens hun huwelijk verworven percelen; de andere helft kwam in Willeboorts sterfhuis terecht.
De gevolgen van zijn onverwachte overlijden
Willeboorts overlijden liet een ingewikkelde nalatenschap achter. Zijn vermogen bestond uit huizen, breukdelen in huizen, renten, schuldvorderingen en landerijen. Daartegenover stonden oude cijnzen, losrenten en verplichtingen tegenover kinderen uit drie opeenvolgende huwelijken.
De kinderen uit ieder huwelijk hadden eigen rechten:
- de kinderen van Livina bezaten aandelen uit de lijnen Van den Bogaerde en Buus en erfden van hun vader;
- de dochters van Lisbette hadden een afzonderlijk moederlijk erfdeel van bijna 92 pond;
- de kinderen van Jacquemijne hadden samen nog 100 pond vaderlijk erfdeel tegoed.
Omdat verschillende kinderen minderjarig waren, stonden de goederen onder toezicht van voogden en de Brugse Weeskamer. De gelijknamige zoon Willeboort nam na de dood van zijn vader steeds meer verantwoordelijkheid op zich.
In 1594 verwierf hij van Jacquemijne en haar tweede man hun rechten in drie huizen aan de Langestraat. Later dat jaar werd het voormalige smidshuis bij de Colomme verkocht aan wagenmaker Claijs du Lieu voor 75 pond groten.
Jacquemijne, Bertholomeus de Langhe en De Mareminne
Na Willeboorts dood huwde Jacquemijne met brouwer Bertholomeus de Langhe. In 1590 verbonden zij een vierde deel van brouwerij De Mareminne en verschillende andere goederen als zekerheid voor het moederlijk erfdeel van Bertholomeus’ kinderen.
Daarbij werden ook de helft van Willeboorts vroegere landaankopen in Oedelem betrokken. Goederen uit Willeboorts nalatenschap dienden dus als zekerheid binnen het nieuwe gezin van zijn weduwe.
Op 6 april 1591 gebeurde het omgekeerde. De voogden van Willeboorts kinderen lieten in De Mareminne beslag leggen op:
- de volledige huisraad;
- bedden, linnengoed en metalen gebruiksvoorwerpen;
- een paard, vier koeien en vier runderen;
- een wagen;
- Bertholomeus’ rechten in De Mareminne en twee aangrenzende huizen.
Het beslag moest zekerheid bieden voor de 100 pond die de kinderen van Willeboort nog uit hun vaderlijke erfenis tegoed hadden. De financiële verstrengeling van beide gezinnen toont hoe lang Willeboorts sterfhuis na zijn dood bleef doorwerken.
De uitvaart in Brugge
Het register vermeldt drie uitvaartposten van telkens vijf schellingen. De kerk en het koor ontvingen ieder vijf schellingen. De derde omschrijving is in de scan minder duidelijk.
De deelname van het koor wijst op een formele liturgische plechtigheid. Willeboort werd dus niet alleen administratief als overledene geregistreerd, maar kerkelijk herdacht overeenkomstig zijn maatschappelijke positie.
Of zijn lichaam vanuit Sluis naar Brugge werd teruggebracht, weten we niet. Het Latijnse woord exequiae kan ook betrekking hebben op een uitvaartdienst waarbij het stoffelijk overschot niet aanwezig was. In oorlogstijd was een dergelijke dienst voor iemand die ver van huis was overleden niet ongewoon.
Gezin en verwantschap
Willeboort en zijn drie echtgenotes
Chronologisch overzicht
- 1565 Oudste aangehaalde eigendomstitel voor het huizenbezit in de Langestraat.
- 1572 Willeboort en Lisbette Wittebroot verbinden hun halve huis bij de Colomme als zekerheid voor Jacob Wittebroot.
- 1578 Vereffening van Lisbettes sterfhuis; haar dochters krijgen bijna 92 pond groten.
- 1585 Willeboort treedt op als dismeester van Sint-Kruis en Sint-Anna.
- 1586 Hij koopt in Oedelem minstens acht partijen land, samen ongeveer 45 gemeten.
- vóór 22 september 1587 Willeboort overlijdt tijdens zijn gevangenschap te of bij Sluis.
- 22 september 1587 Uitvaartplechtigheid in de parochie Sint-Kruis en Sint-Anna.
- 2 juli 1588 Zijn gelijknamige zoon sluit onder voogdij huwelijksvoorwaarden met Tannekin van Cotengijs.
- 1590 Jacquemijne en Bertholomeus verbinden goederen voor het erfdeel van Bertholomeus’ kinderen.
- 6 april 1591 Beslag in De Mareminne voor 100 pond vaderlijk erfdeel van Willeboorts kinderen.
- 22 april 1594 Jacquemijne en Bertholomeus dragen hun rechten in drie huizen over aan Willeboort de jongere.
- 16 november 1594 Verkoop van het huis bij de Colomme aan wagenmaker Claijs du Lieu.
Genealogische en historische conclusies
Het overlijdensbericht bewijst dat Willeboort vóór 22 september 1587 tijdens zijn gevangenschap te of in verband met Sluis overleed. Het identificeert hem bovendien als dismeester van de armendis.
Zijn dood verklaart waarom zijn gelijknamige zoon bij het huwelijkscontract van 1588 nog door voogden werd bijgestaan en waarom in de daaropvolgende jaren verschillende voogdij-, beslag- en overdrachtsakten nodig waren.
De combinatie van de parochiale notitie met de eigendoms- en weesakten toont dat Willeboort kort vóór zijn dood nog een actieve en vermogende figuur was. Hij bezat stedelijke huizen, beheerde renten en verwierf in 1586 een aanzienlijk grondbezit in Oedelem.
De precieze aanleiding tot zijn gevangenneming blijft onbekend. Ook is niet bewezen dat hij als soldaat of tijdens het eigenlijke beleg van Sluis werd gevangengenomen.
Uitgebreide boektekst
De dood van Willeboort van Landtschoot in gevangenschap
Het levensverhaal van Willeboort van Landtschoot eindigde niet in zijn woning in de Brugse Langestraat en evenmin op een van zijn pas verworven landerijen in Oedelem. In 1587 kwam hij in handen van de Sluizenaars terecht. Hij overleed tijdens zijn gevangenschap, ver van zijn gezin en te midden van de militaire onrust die Vlaanderen in die jaren beheerste.
De omstandigheden van zijn dood zijn slechts in enkele regels vastgelegd. In het parochieregister van Sint-Kruis en Sint-Anna noteerde de geestelijke op 22 september 1587 dat hij de uitvaartplechtigheden had gehouden voor Willebrord van Lanschot, dismeester van de armendis, die gevangen was genomen en in gevangenschap was overleden.
De korte notitie geeft Willeboorts leven een onverwacht en aangrijpend einde. De datum van 22 september was de dag van de uitvaart in Brugge. Zijn werkelijke overlijden moet eerder hebben plaatsgevonden. Hoeveel tijd tussen zijn dood en de plechtigheid verstreek, kan uit het register niet worden afgeleid.
Een man met een openbare verantwoordelijkheid
Willeboort was in zijn parochie geen onbekende figuur. In 1585 trad hij samen met Jan de Donckere, Laurens Zoete en Gabriel la Court op als dismeester van Sint-Kruis en Sint-Anna. De dismeesters beheerden de bezittingen en inkomsten van de plaatselijke armenzorg. Zij hielden toezicht op renten, huizen, schenkingen en uitdelingen aan behoeftige inwoners.
Hun taak vereiste niet alleen maatschappelijke betrouwbaarheid, maar ook kennis van financiële en juridische zaken. In 1585 werkte Willeboort mee aan de uitvoering van een vonnis waarbij een rente opnieuw aan het Karmelietenklooster werd overgedragen. De transactie hield verband met geld dat tijdens de Brugse Alteratie door een kloosterling aan de dismeesters was toevertrouwd.
Dat de geestelijke Willeboort bij zijn overlijden als dismeester omschreef, toont hoe sterk deze functie met zijn openbare identiteit verbonden was. Zelfs in een uiterst beknopte dodeninschrijving werd niet alleen zijn naam, maar ook zijn verantwoordelijkheid voor de armen vermeld.
Sluis in een tijd van oorlog
Sluis was in 1587 een versterkte havenstad van groot militair belang. Vanuit de stad kon het Zwin en de toegang tot het kustgebied worden gecontroleerd. Het grensgebied was onveilig. Garnizoenen ondernamen uitvallen, wegen werden bewaakt en burgers konden worden aangehouden of als gevangenen worden meegenomen.
De bron zegt niet waarom Willeboort zich in de omgeving van Sluis bevond. Mogelijk was hij onderweg voor zaken, voor het beheer van goederen, voor een bestuurlijke opdracht of om een andere persoonlijke reden. Hij kan ook tijdens een uitval of plaatselijke actie zijn gevangengenomen.
Omdat hij over huizen, renten en landerijen beschikte, zou hij als gevangene voor losgeld in aanmerking zijn gekomen. Toch is geen brief, rekening of processtuk gevonden waaruit blijkt dat daadwerkelijk losgeld voor hem werd geëist. Ook weten we niet of ziekte, verwonding of de omstandigheden van zijn opsluiting zijn dood veroorzaakten.
De veilige historische conclusie blijft daarom beperkt: Willeboort werd door of in verband met Sluis gevangen gehouden en overleed vóór 22 september 1587 in gevangenschap.
Drie huwelijken en een samengesteld gezin
Willeboort was driemaal gehuwd. Zijn eerste echtgenote was Livina van den Bogaerde, dochter van Hendrick van den Bogaerde en Tanneken of Anna Buus. Uit dit huwelijk stamden onder anderen de gelijknamige zoon Willeboort, de dochter Adriaeneken en de zoon Adriaen.
Via Livina kwamen rechten uit de families Van den Bogaerde en Buus in het gezinsvermogen terecht. Een recht van tien schellingen groten op huizen in de Langestraat werd in een latere akte verbonden met de nalatenschap van haar moeder Tanneken Buus.
De gelijknamige zoon zou na de dood van zijn vader een centrale plaats in de familie innemen. Hij was kaarsgieter en huwde in 1588 met Tannekin van Cotengijs, in andere bronnen mogelijk Anna of Joanna genoemd. Hij trad later op als erfgenaam, voogd en beheerder van de familiebezittingen.
Willeboorts tweede echtgenote was Lisbette Wittebroot, dochter van Jan Wittebroot. Uit hun huwelijk werden minstens Adriaeneken en Maeijken geboren. Na Lisbettes overlijden moest Willeboort tegenover hun voogden rekening afleggen over haar sterfhuis.
De twee meisjes kregen samen een moederlijk erfdeel van bijna tweeënnegentig pond groten. Zij bleven daarnaast gerechtigd in huizen aan de Langestraat, een strogedekte woning met schuur en erf, een rente in Zwevezele en verschillende openstaande schuldvorderingen.
Zijn derde en laatste echtgenote was Jacquemijne Maes, dochter van Jacob Maes. Uit dit huwelijk waren minstens Cathelijnken, Fransken en Mathijskin geboren. Na Willeboorts dood bleven zij minderjarig achter en hadden zij samen nog honderd pond groten uit hun vaderlijke nalatenschap tegoed.
Huizen in de Langestraat
Een groot deel van Willeboorts vermogen bestond uit rechten in verschillende huizen aan de zuidzijde van de Brugse Langestraat. De oudste aangehaalde eigendomstitel dateerde van 19 september 1565.
Een van de goederen lag bij de Colomme, op de weg naar de Kruispoort. Het was een diep perceel met een straatwoning, houten poort, schuur, koeienstallen, een varkenskot en een achtererf dat doorliep tot aan de gronden van Sint-Obrecht.
In 1572 verbonden Willeboort en Lisbette Wittebroot hun helft in dit goed als zekerheid voor een financiële verplichting tegenover Jacob Wittebroot. Het huis bleef daarna tientallen jaren in verschillende familieaandelen verdeeld.
Na Willeboorts overlijden kwamen delen toe aan kinderen uit meerdere huwelijken, aan zijn weduwe Jacquemijne en aan andere gerechtigden. In 1594 droeg Jacquemijne haar rechten over aan Willeboort de jongere. Later dat jaar werd het voormalige smidshuis bij de Colomme verkocht aan wagenmaker Claijs du Lieu.
De landaankopen van 1586
Het jaar vóór zijn dood kocht Willeboort in korte tijd minstens acht partijen land in Oedelem, op de heerlijkheid Praet. Samen ging het om ongeveer vijfenveertig gemeten.
De percelen lagen vooral ten westen en noordwesten van de kerk. Hij verwierf ze van verschillende plaatselijke eigenaars, onder wie Pauwels de Jaegher, Pieter van Renterghem, Joos Oste, Pieter van Hecke en leden van de familie Hoorneweder.
De opeenvolging van aankopen wijst erop dat Willeboort doelgericht een groter grondbezit wilde samenstellen. Bij de landerijen hoorden ook huizen, bomen en het groeiende hout. Zij vormden dus een investering in landbouw, bewoning en houtopbrengst.
Nauwelijks een jaar later stierf hij. Jacquemijne behield haar helft van de tijdens hun huwelijk verworven goederen; de andere helft werd onderdeel van zijn sterfhuis en kwam uiteindelijk bij zijn erfgenamen terecht.
De weduwe in De Mareminne
Na Willeboorts overlijden hertrouwde Jacquemijne Maes met brouwer Bertholomeus de Langhe. Het nieuwe echtpaar woonde in brouwerij De Mareminne aan de noordzijde van de Langestraat.
Bertholomeus had zelf kinderen uit een eerder huwelijk. Daardoor werden twee groepen minderjarige erfgenamen in één huishouden samengebracht. De kinderen van Bertholomeus moesten hun moederlijk erfdeel ontvangen, terwijl de kinderen van Willeboort hun vaderlijk erfdeel behielden.
In 1590 verbonden Bertholomeus en Jacquemijne een vierde deel van De Mareminne, verschillende Brugse huizen en de helft van Willeboorts vroegere landerijen in Oedelem als zekerheid voor de kinderen van Bertholomeus.
Een jaar later legden de voogden van Willeboorts kinderen beslag op de volledige huisraad, het vee, de wagen en Bertholomeus’ rechten in De Mareminne. Het beslag moest de honderd pond uit Willeboorts nalatenschap veiligstellen.
De gedetailleerde inventaris van De Mareminne toont een welgesteld huishouden met tinnen vaatwerk, meerdere bedden, tapijtkussens, linnengoed, een paard, vier koeien, vier runderen en een wagen. Toch stond dit bezit onder zware financiële druk.
De zoon neemt de familiezaken over
De dood van Willeboort de oudere verklaart waarom zijn gelijknamige zoon in 1588 nog door voogden werd bijgestaan toen hij huwelijksvoorwaarden sloot met Tannekin van Cotengijs. Zijn vader kon niet meer optreden en zijn vermogen stond nog onder toezicht.
In de daaropvolgende jaren groeide de zoon uit tot een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de familie. Hij werd voogd van zijn broer Adriaen en van de jongere kinderen uit het huwelijk van zijn vader met Jacquemijne Maes.
Hij verwierf verschillende aandelen in de huizen aan de Langestraat en vertegenwoordigde de familie bij de verkoop van het huis bij de Colomme. Zo nam hij stap voor stap de plaats in die door het plotselinge overlijden van zijn vader was opengevallen.
Een uitvaart zonder zekerheid over het graf
Op 22 september 1587 hield de parochie de uitvaartplechtigheden voor Willeboort. Voor kerk en koor werden afzonderlijke bedragen genoteerd.
Het register zegt niet of zijn lichaam naar Brugge was teruggebracht. Wanneer iemand in oorlogstijd ver van huis overleed, kon in de eigen parochie een plechtige dodenmis worden gehouden zonder dat het stoffelijk overschot aanwezig was.
Daarom is niet bekend waar Willeboort uiteindelijk werd begraven. Mogelijk vond hij zijn graf in of nabij Sluis. Mogelijk werd zijn lichaam later overgebracht. De bron laat beide mogelijkheden open.
Slotbeschouwing
Willeboort van Landtschoot was in de jaren vóór zijn dood een man met een aanzienlijke economische en maatschappelijke positie. Hij bezat aandelen in Brugse huizen, beheerde renten en schuldvorderingen, kocht omvangrijke landerijen in Oedelem en droeg als dismeester verantwoordelijkheid voor de plaatselijke armenzorg.
Zijn dood in gevangenschap maakte in 1587 abrupt een einde aan deze ontwikkeling. Hij liet een weduwe, kinderen uit drie huwelijken en een omvangrijke maar ingewikkelde nalatenschap achter.
De vele akten uit de jaren na zijn overlijden zijn uiteindelijk het gevolg van dat ene dramatische feit. Voogden moesten de rechten van minderjarigen beschermen, huizen werden verdeeld of verkocht, landerijen werden als zekerheid verbonden en goederen in brouwerij De Mareminne werden onder beslag geplaatst.
De korte parochiale notitie geeft daardoor betekenis aan een heel archiefdossier. Achter de juridische formuleringen stond een gezin waarvan de vader onverwacht was weggevallen. Willeboort was als gevangene in Sluis gestorven, midden in een van de onrustigste perioden uit de Vlaamse geschiedenis.
Hoofdbron overlijden: parochieregisters Sint-Kruis en Sint-Anna te Brugge, overlijdens 1584–1593, folio 11 verso, uitvaartnotitie van 22 september 1587.
Aanvullende bronnen: akten van de Brugse Vierschaar, Weeskamer en klerkenregisters betreffende de drie huwelijken, de kinderen, het huizenbezit in de Langestraat, de landaankopen in Oedelem en de latere vereffening van het sterfhuis.
English
Español
Français