Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

← Terug naar overzicht 1200–1300

Godevert van Lenscoet in een rentebrief van 1277

In een rentebrief uit juli 1277 wordt Godevert van Lenscoet vermeld als schuldenaar van een jaarlijkse betaling. De akte handelt over een rente die verbonden was aan gronden in de omgeving van Wostwincle (= Oostwinkel nabij Adegem) en die uiteindelijk toekwam aan de kapelrie van Sint-Elisabeth te Gent.

Waarom deze vermelding belangrijk is:
de naam Lenscoet verschijnt hier al in 1277, in een concrete context van land, rente en lokale verplichtingen. De vermelding “godeuert van lenscoet. sessescellinge van hertuelt” toont dat een naamdrager Lenscoet verbonden was met een betaling van zes schellingen op of uit Hertvelt.

Online bronverwijzing

De vermelding van Lenscoet is ook terug te vinden via het Corpus Gysseling, waar gezocht kan worden op de vorm lenscoet.

Bekijk de vermelding van Lenscoet in het Corpus Gysseling

Externe link naar het Corpus Gysseling, Instituut voor de Nederlandse Taal.

Lenscoet Landscoet Landscoot Landschoot Van Landschoot
Juli 1277

Een rentebrief rond Wostwincle

De akte begint met de verklaring van Kateline, jonkvrouw van Wostwincle. Zij maakt bekend aan allen die deze brief zullen zien of horen voorlezen, dat zij een vroegere overeenkomst erkent. Die overeenkomst was gemaakt door haar heer, Soyer van Wostwincle, voor de schepenen van Somergem, volgens recht en vonnis van de schepenbank.

Het ging om een jaarlijkse rente van acht pond en tien schellingen, te betalen op Sint-Baafsdag. Deze rente rustte op land van Soyer van Wostwincle, gelegen te Brebrouch, in de parochie van Wostwincle.

“Jc kateline Joncvere Van wostwincle done te wetene allen den ghenen die dese lettren sullen sien ende horen lesen...”
Achtergrond van de rente

Een huwelijksgift die later verkocht werd

Soyer van Wostwincle had deze rente oorspronkelijk aan zijn zuster meegegeven bij haar huwelijk met Hendrik van der Capellen. Hendrik verkocht deze rente later aan de kapelrie van Sint-Elisabeth, verbonden met het begijnhof te Gent.

Daarbij werd uitdrukkelijk bepaald dat de rente eeuwig en vast moest blijven bestaan. Indien iemand later zou proberen de rente te verminderen, dan moesten Soyer van Wostwincle of zijn erfgenamen daarvoor borg staan. Zij moesten elk tekort aanvullen, zodat de kapelrie geen verlies zou lijden.

Vrij samengevat: de kapelrie van Sint-Elisabeth kocht niet alleen een jaarlijkse rente, maar ook de juridische zekerheid dat deze rente blijvend en volledig verschuldigd bleef.
Levenslange uitkering

Margriete, weduwe van heer Ferant

Uit de jaarlijkse rente van acht pond en tien schellingen ontving vrouwe Margriete, weduwe van heer Ferant, tijdens haar leven jaarlijks veertig schellingen. Daarnaast werd nog een jaarlijkse betaling van zestien penningen vermeld.

Na haar overlijden zouden deze bedragen niet verdwijnen, maar opnieuw toekomen aan de kapelrie van Sint-Elisabeth te Gent. De regeling was dus tegelijk een persoonlijke levenslange uitkering én een blijvende inkomstenbron voor een religieuze stichting.

De schuldenaars

Personen die delen van de rente betaalden

Daarna volgt een opsomming van personen die elk een deel van de rente verschuldigd waren. Hun betalingen waren verbonden aan stukken land, bunders, wegen of afzonderlijke percelen.

Onder meer worden vermeld: Wouter de Smet, Pieter, zijn zoon, Gertrud, weduwe van Wouter de Smet, Bernard de Munch, Willard Basekin, de weduwe van Lange Willemus, Jan van der Berent, Jan Rolard, Jan de Neve, Arnout Raessone en Hughe, zoon van Riquard.

Voor het familieonderzoek is vooral deze vermelding van belang:

“godeuert van lenscoet. sessescellinge van hertuelt”

Dit betekent: Godevert van Lenscoet was zes schellingen verschuldigd van of uit Hertvelt.

Bezegeling

Kateline en Juliane bevestigen de akte

Op het einde verklaren Kateline, jonkvrouw van Wostwincle, en Juliane, haar kind en erfgename, dat zij deze regeling vast en zeker willen maken. Kateline treedt daarbij op als wettelijke voogdes van haar dochter.

Om de akte kracht bij te zetten, werd zij bezegeld met hun zegel. Ook de pastoor van Wostwincle en de pastoor van Somergem bezegelden de brief, op verzoek van de partijen.

De akte werd gegeven in het jaar des Heren 1277, in de maand juli.

Betekenis voor de familiegeschiedenis

De vermelding van Godevert van Lenscoet is kort, maar belangrijk. Zij toont dat de naamvorm Lenscoet al in de dertiende eeuw voorkomt in een administratieve en juridische context.

De naam verschijnt hier niet als losse persoonsnaam zonder verband, maar binnen een nauwkeurig omschreven rentestelsel. Godevert was verbonden met een betaling van zes schellingen uit of van Hertvelt. Daardoor wijst de vermelding tegelijk naar een persoon, een plaats of goed, en een financiële verplichting.

Voor het bredere onderzoek naar Landschoot, Landscoot, Lenscoet en verwante vormen vormt deze akte een vroege schakel. Ze past in het beeld van een oude naamtraditie die verbonden is met grond, lokale heerlijkheden en middeleeuwse renten.