Willem Van Lanschoot en zijn leengoed in Knesselare
Een rapport en denombrement van ongeveer drie gemeten grond, gekocht van Niclaes Minens en gehouden van het leenhof van Knesselare.
Wat de akte vertelt
Willem Van Lanschoot, zoon van Jan, geeft aan het leenhof een schriftelijke beschrijving van zijn leen. Het omvat ongeveer drie gemeten binnen de parochie Knesselare. Hij heeft het verkregen door koop van Niclaes Minens, zoon van Willeboort. Het rapport noemt de belendingen, de verplichtingen tegenover de leenheer en de baljuw die het in ontvangst neemt.
Willem bekrachtigt de verklaring met zijn eigen aangehangen zegel. Volgens de bijgevoegde bronnotitie vertoont dit zegel een wiel.
Opmerking bij de datum. De transcriptie eindigt met “XII den dach van April XV c LXIII voor paesschen”. De gebruikelijke omzetting van een paasstijldatum naar een jaar dat op 1 januari begint, mag hier niet automatisch gebeuren: Pasen viel in 1564 op 2 april volgens de toenmalige Juliaanse kalender. Een 12 april 1564 lag dus ná Pasen. De meest recente transcriptie van de onderzoeker vermeldt “(12 april 1563)”; die toevoeging is hier overgenomen. De eerdere notitie gaf 1564. Dag, maand, jaarcijfers en de woorden “voor paesschen” moeten op het origineel worden nagezien. Zie de toelichting over de datum.
Afbeeldingen — bronfragment, brief en illustratief zegel

Zegel met een wiel en het opschrift Guillaume van Lanscoit filius Joannes, gemaakt op basis van de gedeeltelijke informatie in het bovenstaande bronfragment. Aan de oorspronkelijke brief hangt wel degelijk een zegel, maar de voorstelling en het omschrift zijn op de beschikbare afbeelding niet volledig duidelijk. Deze reconstructie geeft daarom een mogelijke uitwerking en is geen exacte weergave van het oorspronkelijke zegel. Beweeg de muis over het zegel om het te vergroten.

Originele tekst — Rapoort ende denombrement
De aangeleverde transcriptie, met behoud van de regels en lezingen. De toevoeging “(12 april 1563)” is overgenomen uit de meest recente versie van de onderzoeker. Zie de afzonderlijke toelichting bij de datum.
Hertaling in hedendaags Nederlands
Inhoudelijke hertaling naar de aangeleverde transcriptie. Vierkante haken markeren een onzekere lezing of uitleg.
Rapport en opsomming van het leen dat ik, Willem Van Lanschoot, zoon van Jan, in leen en in leenmanschap houd van onze geduchte heer Filips, koning van Spanje en graaf van Vlaanderen, uit hoofde van zijn heerlijkheid en hof van Knesselare. [De inleiding vermeldt een ligging binnen de parochie Knesselare, ten zuiden van de kerk; de samenhang met de belendingen hieronder is te controleren.]
Mijn genoemde leengoed is ongeveer drie gemeten groot, iets minder of meer. Aan de zuidzijde grenst het aan de kerk van Knesselare [vermoedelijk kerkgrond], aan de noordzijde aan de erfgenamen van Lowys Valcke en aan de oostzijde aan de watergang. Met het westelijke uiteinde komt het uit op de weg van Knesselare naar Haeltere en naar Buntlere.
Dit leen is mij toegekomen door aankoop van een zekere Niclaes Minens, zoon van Willeboort. Ik houd het in trouw aan mijn rechtmatige heer. Bij overgang is het onderworpen aan het recht van de “beste vrome van drie” [waarschijnlijk de beste jaaropbrengst uit drie jaren], met kamerlinggeld en hofrecht, zoals de andere lenen die van het genoemde hof worden gehouden. Bij verkoop is de tiende penning van de verkoopsom verschuldigd.
Zo geef ik, de genoemde Willem, naar mijn beste weten en vermogen mijn leen aan, zoals het er nu voorstaat, in handen van Jacop van Audenberghe, baljuw van de koninklijke majesteit voor deze heerlijkheid en dit hof van Knesselare.
Mocht ik mijn leen groter of kleiner hebben opgegeven dan het behoort te zijn, hetzij wat de oppervlakte, hetzij wat de vrijheden betreft, dan verzoek ik [onvolledig overgeschreven formule] dat de aangifte kan worden vermeerderd of verminderd volgens de registers van mijn heer, naar het oordeel van de leenmannen van dit hof, waartoe ik op heden behoor.
Als bewijs van de waarheid heb ik, Willem voornoemd, dit rapport bezegeld met mijn eigen zegel, hieronder aangehangen, op de twaalfde dag van april vijftienhonderddrieënzestig, vóór Pasen. [Datering zoals overgeschreven; de omzetting naar 1564 blijft te controleren.]
Verklaring van woorden en verplichtingen
| Woord of formule | Betekenis in deze akte |
|---|---|
| Rapport en denombrement | Een aangifte en beschrijving van een leen: de leenhouder verklaart welk goed hij houdt en onder welke voorwaarden. |
| Filius Jans | Zoon van Jan. Dit is de uitdrukkelijke vader-zoonrelatie in de tekst. |
| In leen en in manschepe | Als leen gehouden, met erkenning van de leenheer. De akte beschrijft leenbezit, geen gewone jaarlijkse pacht. |
| Drie gemeten, lichtelijk min of meer | Een benaderde oppervlakte volgens een plaatselijke landmaat. Zonder vaststelling van de gebruikte maat wordt hier geen exact aantal vierkante meters opgegeven. |
| Ghelandt / hoofdende | Aangrenzend / met het uiteinde uitkomend op. “De kerk” kan in een belending kerkelijk grondbezit aanduiden. |
| De hoors Lowys Valcke | De erfgenamen van Lowys Valcke; geen vermelding van afzonderlijke namen of verwantschapsgraden. |
| Ter bester vrome van dry | Waarschijnlijk een recht op de beste jaaropbrengst uit drie jaren bij overgang van het leen. Deze uitleg past bij historische omschrijvingen van “beste vrome”; de precieze toepassing in dit leenhof blijft te toetsen. |
| Camerlijncghelt ende ofrecht | Kamerlinggeld en vermoedelijk hofrecht: bijkomende rechten verbonden aan de behandeling bij het leenhof. De transcriptie geeft hier geen afzonderlijke bedragen. |
| Ten thiensten pennijnck | De tiende penning: één tiende, dus 10% van de verkoopsom, verschuldigd bij verkoop. |
| Mannen van het hof / huusghenoodt | De leenmannen die bij het hof behoren. Willem plaatst zichzelf in die kring; dit zegt niet dat hij bij de baljuw inwoonde. |
| Propren zeghele | Zijn eigen zegel, gebruikt om de verklaring te bekrachtigen. Een zegel op zichzelf bewijst geen adellijke status. |
Voor “beste vrome” is het Deutsches Rechtswörterbuch, lemma Frommen, II.2 geraadpleegd. De woordenboekvoorbeelden ondersteunen de uitleg als beste jaaropbrengst uit drie jaren.
Wie is wie — personen en verwantschap
| Persoon | Rol en gegevens |
|---|---|
| Willem Van Lanschoot | Aangever en leenhouder; zoon van Jan. Koopt het leen van Niclaes Minens en bezegelt zijn rapport. |
| Jan (Jean / Joannes) | Vader van Willem. Hier uitsluitend vermeld via “filius Jans”; geen echtgenote of verdere afstamming genoemd. |
| Niclaes Minens | Verkoper van het leen; zoon van Willeboort. Geen bewezen familieband met Willem. |
| Willeboort | Vader van Niclaes, vermeld via diens patroniem. |
| Lowys Valcke | Zijn erfgenamen bezitten de noordelijke belending. |
| Jacop van Audenberghe | Baljuw die het rapport ontvangt namens de koninklijke majesteit. |
| Filips | De in de akte genoemde koning van Spanje en graaf van Vlaanderen; leenheer uit hoofde van de heerlijkheid en het hof. |
Verband met 1535. De eerdere bijschrifttekst noemt dit “dezelfde Jan en Willem Van Landschoot onder 1535”. Dat is een bestaande identificatie in het familiedossier, maar de daarvoor gebruikte akte is hier niet meegeleverd. Deze leenverklaring bevestigt wel Willems vadersnaam, maar bewijst op zichzelf niet dat beiden dezelfde personen zijn als in 1535. Vergelijk daarvoor patroniemen, leenopvolging, belendingen en eventuele zegels.
De vermelding toont evenmin dat Willem in Knesselare woonde, het perceel zelf bewerkte of verwant was aan andere tijdgenoten Van Landschoot in de streek.
Ligging en grenzen van het leen
| Onderdeel | Volgens de transcriptie |
|---|---|
| Oppervlakte | Drie gemeten, iets minder of meer. |
| Zuid | De kerk van Knesselare, mogelijk haar grondbezit. |
| Noord | De erfgenamen van Lowys Valcke. |
| Oost | Een watergang. |
| Westelijk uiteinde | De weg van Knesselare naar Haeltere en Buntlere. |
Voorbehoud bij de lokalisering. De inleiding bevat “suut vanden kercken”, terwijl de belendingen de kerk aan de zuidzijde plaatsen. Dat hoeft niet noodzakelijk hetzelfde referentiepunt te zijn: “kerk” kan bijvoorbeeld kerkgrond aanduiden. Ook de zinsbouw van de inleiding moet worden gecontroleerd. Een kaartpositie is daarom nog niet met zekerheid aan te wijzen.
De plaatsnamen Haeltere en Buntlere blijven hier in de aangeleverde schrijfwijze staan. Een moderne identificatie vereist vergelijking met het handschrift en plaatselijke kaarten.
Datum en zegel — wat vraagt nog controle?
1563 vóór Pasen, of 1564?
Bij de paasstijl begon het nieuwe jaar met Pasen. Een datum vóór Pasen kon daardoor een jaarcijfer dragen dat één lager is dan bij een jaarbegin op 1 januari. De omzetting hangt echter af van de werkelijke paasdatum.
De aangeleverde tekst heeft “12 april 1563 vóór Pasen”. De eerdere notitie voegde “12 april 1564” toe; de meest recente versie van de onderzoeker geeft “12 april 1563”. In de toen gebruikte Juliaanse kalender viel Pasen in 1564 op 2 april. De voorgestelde datum ligt dus ná Pasen. De paastabel van R. H. van Gent, Universiteit Utrecht vermeldt 1564 bij 2 april. Dit is aanleiding om de eindformule opnieuw te lezen, niet om zelf een ander jaartal in te vullen.
De formulering op deze pagina luidt nu: “12 april 1563 volgens de laatste transcriptie; datumformule te controleren.” Een omzetting van paasstijl naar een januari-jaarbegin is bovendien iets anders dan een omzetting van Juliaanse naar Gregoriaanse kalenderdagen.
Het wiel en het omschrift
De begeleidende notitie beschrijft een wiel in het zegel en geeft een onvolledig omschrift met onder meer “van Lanscoit” en “filius Joannes”. Dit omschrift is hier niet als volledige, gecontroleerde lezing overgenomen. Het aantal spaken, eventuele andere figuren en de precieze naamvorm moeten aan een voldoende scherpe afbeelding worden getoetst.
De akte vermeldt dat Willem zijn eigen zegel aanhangt; op de afbeelding van de brief is dat aangehangen zegel ook zichtbaar. De details zijn daarop niet volledig duidelijk. De voorstelling van het wiel wordt in het bijgevoegde bronfragment beschreven. Het nieuwe illustratieve zegel bovenaan deze pagina is op die gedeeltelijke informatie gebaseerd; de vormgeving en het volledig uitgewerkte opschrift zijn geen exacte kopie van het oorspronkelijke zegel. Ook de koppeling met een familiewapen of andere zegelvoerders vraagt afzonderlijke vergelijking.
Bronnen en verantwoording
- Basistekst: transcriptie en begeleidende gegevens aangeleverd door Hans Van Landschoot. Dit is een uitwerking naar die transcriptie, geen nieuwe lezing van de originele akte.
- Archiefaanduiding uit het dossier: ARA “Leengoed N° 10903”
- De Raadt / Gallica: de door de onderzoeker opgegeven bronpagina, beeld 318. Deze scan kon bij deze uitwerking niet onafhankelijk worden gecontroleerd. Het beeldnummer is niet automatisch een gedrukt paginanummer.
- Woordverklaring: Deutsches Rechtswörterbuch, Frommen, II.2, voor “beste vrome”.
- Datumcontrole: R. H. van Gent, Universiteit Utrecht — paastabel voor de Juliaanse kalender, vermelding van 1564 bij 2 april.
Redactionele uitwerking: 1 oktober 2026. De verbinding met 1535, de precieze ligging, de zegellezing en de datum zijn afzonderlijk als controlepunten aangeduid.

English
Français
Español