Christiaen van Landtsucht
Rechtszaak tegen jonkheer René van Brugge, heer van Gruuthuse, over gekocht en opnieuw verkocht hout — Brugge, 29 november 1553.
Op woensdag negenentwintig november vijftienhonderd drieënvijftig werd voor de vierschaar van Brugge uitspraak gedaan in een zaak die was aangespannen door Christiaen van Landtsucht. Zijn tegenpartij was jonkheer René van Brugge, heer van Gruuthuse.
De zaak draaide om een partij hout. Christiaen verklaarde dat hij enige tijd voordien hout had gekocht van Jan de Backere. Dat hout stond op een bepaald stuk grond dat toebehoorde aan de heer van Gruuthuse. Jan de Backere had de verkoop gedaan in naam en in opdracht van die heer. Christiaen had ervoor betaald en beschouwde het hout dus als zijn wettig gekochte eigendom.
Nadat hij het hout had gekocht, liet Christiaen het kappen en verwerken. Het grootste deel werd gemaakt tot fasseels en rijshout. Dat waren bundels van klein hout, takken en twijgen, bruikbaar als brandhout, vlechtwerk, afsluitingen of ander dagelijks gebruikshout.
Volgens Christiaen mocht de heer van Gruuthuse dat aangekochte hout niet meer vervreemden, verkopen of bezwaren. Toch gebeurde dat volgens hem wel. De verweerder zou verschillende partijen van datzelfde hout opnieuw verkocht hebben.
In de eis worden de verkochte hoeveelheden nauwkeurig opgesomd. Het ging onder meer om tienhonderd fasseels tegen vier schellingen en vijf penningen groot per honderd, nog eens honderd fasseels tegen vier schellingen en zes groten per honderd, driehonderd rijzen tegen vier schellingen en vier penningen groot per honderd, en nog een partij van ongeveer vijfhonderd, iets minder dan een hoop, tegen vier schellingen en zes groten per honderd.
Daarnaast zou de heer van Gruuthuse ook nog een partij onbewerkt hout verkocht hebben. Die partij kon volgens de akte ongeveer vijftig fasseels opleveren, samen met nog een bijkomende hoeveelheid die in de tekst als vijftig vermynghe wordt aangeduid. Die partij werd verkocht tegen drie schellingen en tien penningen groot.
Christiaen had geprobeerd het hout terug te krijgen. Als dat niet meer kon, wilde hij minstens terugbetaald worden voor de waarde waarvoor de heer van Gruuthuse het had verkocht. Maar de verweerder wilde daar niet op ingaan. Daarom bracht Christiaen de zaak voor de Brugse vierschaar.
Hij vroeg dat de schepenen zouden verklaren dat hij met goede reden klacht had ingesteld. Verder eiste hij dat alle genoemde partijen hout aan hem zouden worden teruggegeven. Indien teruggave onmogelijk was, moest de verweerder hem de waarde ervan betalen. Christiaen vroeg bovendien vergoeding van kosten, schade en interesten.
René van Brugge had tijd gevraagd om op de eis te antwoorden en kreeg ook de gewone termijnen. Toch bracht hij geen inhoudelijk verweer naar voren. Uiteindelijk liet hij zich versteken van antwoord. Dat betekent dat hij niet behoorlijk antwoordde binnen de voorziene termijn en dat de zaak bij verstek tegen hem kon worden voortgezet.
De schepenen van Brugge spraken daarop vonnis uit. De heer van Gruuthuse werd veroordeeld om aan Christiaen van Landtsucht alle verwerkte partijen van rijshout, fasseels en ander hout terug te geven. Indien hij dat niet kon doen, moest hij Christiaen de waarde betalen waarvoor hij het hout had verkocht. De akte vermeldt daarbij een bedrag van zeventien pond.
Verder werd de verweerder veroordeeld in de kosten van de procedure, samen met schade en interesten. De precieze begroting daarvan werd door de schepenen voorbehouden. De akte werd genoteerd door Pieter Haghebaert.
Historische duiding
Deze akte is belangrijk omdat zij Christiaen van Landtsucht toont als een economisch actieve persoon. Hij kocht hout, liet het verwerken en verdedigde zijn rechten voor de stedelijke rechtbank van Brugge. Het gaat dus niet om een toevallige naamvermelding, maar om iemand die als eiser optreedt in een formele rechtszaak.
De tegenpartij was niet onbelangrijk. René van Brugge, heer van Gruuthuse, behoorde tot een aanzienlijk geslacht. Dat Christiaen tegen hem procedeerde, toont dat hij voldoende belang, middelen en juridische steun had om zijn zaak door te zetten.
Hout was in de zestiende eeuw een waardevol goed. Het werd gebruikt voor verwarming, bouw, afsluitingen, vlechtwerk en allerlei ambachtelijke toepassingen. Ook kleiner hout, zoals fasseels en rijshout, had een duidelijke marktwaarde. De opgesomde hoeveelheden tonen dat het om meer ging dan wat gewoon huishoudelijk brandhout.
Juridisch is vooral het vonnis bij verstek van belang. De verweerder kreeg de kans om te antwoorden, maar deed dat niet. Daardoor konden de schepenen uitspraak doen op basis van de eis van Christiaen. Het gevolg was dat de heer van Gruuthuse werd veroordeeld tot teruggave of vergoeding.
Wat deze akte betekent voor de familiegeschiedenis
Voor de geschiedenis van de familie Van Landschoot / Landtsucht / Landsoght is dit een sterke vermelding. Christiaen verschijnt hier in een context van handel, eigendomsrecht en stedelijke rechtspraak. Dat past goed bij de bredere overgang van de naamvormen in de zestiende eeuw, waarbij Van Landschoot in sommige takken evolueert naar Landtsucht of Landsoght.
De akte laat ook zien dat Christiaen niet alleen lokaal of familiaal van belang was, maar ook optrad binnen de juridische wereld van Brugge. Zijn naam wordt verbonden aan een concrete economische transactie en aan een formeel vonnis.
Bron: Brugge, 157 civiele sententien vierschaer 1551-1557 f° 371- vonnis van 29 november 1553. Zaak van Christiaen van Landtsucht tegen jonkheer René van Brugge, heer van Gruuthuse. Genoteerd door Pieter Haghebaert.
English
Español
Français