Christiaen Landtzucht en de bierschuld
Proces tussen Frans de Bie, gehuwd met Barbara Woestlandt, weduwe van Christiaen Landtzucht, en Arnaudt van der Vienne — Brugge, 8-10 augustus 1565.
Deze akte brengt ons in de nasleep van het overlijden van Christiaen Landtzucht, brouwer te Oostkamp. De zaak werd niet meer door Christiaen zelf gevoerd, maar door Frans de Bie, die gehuwd was met Barbara Woestlandt, de weduwe van Christiaen Landtzucht. Frans trad dus op in naam van zijn vrouw en in het belang van het sterfhuis van haar overleden echtgenoot.
De tegenpartij was Arnaudt van der Vienne. De kern van het proces was een oude schuld wegens geleverde bierwaren. Christiaen Landtzucht had tijdens zijn leven een uitvoerbare schuldbekentenis, een zogenaamde weddinghe, laten opmaken voor een bedrag van negen pond, tien schellingen en vier groten.
Die weddinghe was verleden voor de schepenen van de heerlijkheid Sint-Joris-ten-Distel. Op grond daarvan was Arnaudt van der Vienne zelfs op het Steen van Brugge, de stedelijke gevangenis, gebracht. Arnaudt probeerde daarna die gevangenschap en de kracht van de schuldbekentenis te laten opheffen via een mandement van hogerhand.
De betrokken personen
Christiaen Landtzucht was in deze zaak de oorspronkelijke schuldeiser. Hij wordt uitdrukkelijk aangeduid als brouwer te Oostkamp. Na zijn overlijden werd zijn belang verder verdedigd door Frans de Bie, die gehuwd was met Barbara Woestlandt, de weduwe van Christiaen.
Arnaudt van der Vienne was de schuldenaar of vermeende schuldenaar. Hij erkende eerder een schuld wegens bierlevering, maar probeerde later van die schuldbekentenis af te geraken door te stellen dat hij onder druk, uit vrees voor gevangenschap en uit onwetendheid had gehandeld.
De akte is belangrijk omdat zij Christiaen Landtzucht duidelijk toont als brouwer te Oostkamp. Ze laat ook zien dat zijn handelsactiviteiten na zijn overlijden nog een juridisch vervolg kregen via zijn weduwe Barbara Woestlandt en haar nieuwe echtgenoot Frans de Bie.
Het proces in uitklapbare delen
Omdat het proces verschillende stappen bevat — de oorspronkelijke weddinghe, de gevangenneming, het mandement van Arnaudt, het verweer van Frans de Bie en het uiteindelijke vonnis — wordt de volledige hertaling hieronder in korte delen weergegeven.
Deel 1 — De aanleiding: een oude bierschuld
De zaak werd behandeld voor de poortersvierschaar van Brugge op woensdag en donderdag, 8 en 9 augustus 1565. Het vonnis werd uitgesproken op 10 augustus 1565.
Omdat Frans de Bie, gehuwd met Barbara Woestlandt, weduwe van wijlen Christiaen Landtzucht, in die hoedanigheid als eiser optrad, had hij enige tijd voordien Arnaudt van der Vienne voor de vierschaar van de stad Brugge laten dagen.
Frans verklaarde dat wijlen Christiaen Landtzucht eerder een uitvoerbare schuldbekentenis of weddinghe had laten uitvoeren. Die akte was verleden voor de schepenen van de heerlijkheid Sint-Joris-ten-Distel en betrof een som van 9 pond, 10 schellingen en 4 groten.
Deel 2 — Gevangenneming en mandement
Op grond van de weddinghe was Arnaudt van der Vienne op het Steen van Brugge, de stedelijke gevangenis, gebracht. Arnaudt verkreeg daarop bij de hogere overheid een commissie of mandement.
Door dat mandement werd zijn gevangenschap voorlopig opgeheven of geschorst, op voorwaarde dat hij voldoende zekerheid stelde om voor het gerecht te verschijnen en het vonnis te betalen indien hij later veroordeeld zou worden.
De zaak werd vervolgens door de Raad van Vlaanderen terugverwezen naar de schepenen van Brugge, zoals bleek uit een akte van 20 december 1555.
Deel 3 — De klacht van Arnaudt van der Vienne
Arnaudt voerde aan dat hij een arme arbeider was, belast met een vrouw en vijf kleine kinderen. Hij verklaarde dat hij enige jaren voordien, op verzoek van Christiaen Landtzucht, brouwer te Oostkamp, door Jan de Bancq, amman van de heerlijkheid Sint-Joris-ten-Distel, was aangehouden wegens een beweerde levering van bier.
Volgens Arnaudt had Christiaen beweerd dat hij hem bier had geleverd waarvoor nog betaald moest worden. Uit vrees voor een strenge en langdurige gevangenschap had Arnaudt, naar eigen zeggen uit onwetendheid, eenvoudigheid en ongeletterde boerse onkunde, erkend dat hij Christiaen nog 9 pond groten verschuldigd was als restant van die bierlevering.
Later had hij de zaak naar eigen zeggen zorgvuldig onderzocht. Toen bleek volgens hem dat hij zich bij die schuldbekentenis had vergist. Hij beweerde zelfs dat hij Christiaen meer had betaald dan hij werkelijk verschuldigd was, of minstens dat de erkende schuld veel te hoog lag.
Deel 4 — Wat Arnaudt vroeg
Arnaudt vroeg dat hij zou worden ontslagen van de eerdere wettelijke schuldbekentenis en verbintenis. Hij stelde dat die bekentenis was afgelegd toen hij in handen van de officier was, uit vrees voor langdurige gevangenschap, uit onwetendheid over de betalingen die hij al had gedaan, en uit eenvoudigheid en misverstand.
Hij wilde dat Frans de Bie, als vertegenwoordiger van Christiaens nalatenschap, op eigen kosten die schuldbekentenis zou laten doorhalen en buiten werking stellen, omdat ze volgens hem bedrieglijk en buitensporig was geweest.
Verder vroeg Arnaudt dat hij uit de gevangenis zou worden vrijgelaten, zonder verlies en zonder schade. Hij eiste zelfs een vergoeding van 24 schellingen groten per dag voor elke dag dat hij gevangen had gezeten, naast kosten, schade en intresten.
Deel 5 — Het antwoord van Frans de Bie
Frans de Bie antwoordde in naam van Barbara Woestlandt en het sterfhuis van Christiaen Landtzucht. Hij stelde dat mandementen van de vorst die door surreptie of obreptie waren verkregen, volgens het geschreven recht geen kracht hadden.
Daarmee bedoelde hij dat Arnaudt het mandement had verkregen door belangrijke feiten te verzwijgen of door misleidende informatie te geven. Volgens Frans had Arnaudt ten onrechte beweerd dat hij bij het aangaan van de weddinghe gevangen was geweest en dat hij de verbintenis enkel was aangegaan om aan verdere executie of gevangenschap te ontsnappen.
Volgens Frans was dat onwaar. De amman van Sint-Joris en andere omstandigheden zouden aantonen dat Arnaudt en zijn vrouw de schuldbekentenis vrijwillig en vrij hadden verleden, zonder dwang of gevangenschap.
Deel 6 — De rekening van de bierlevering
Frans stelde dat de schuld voortkwam uit een echte en duidelijke levering van bier. Er was eerder, in juli 1552, een rekening opgemaakt tussen Arnaudt en Christiaen Landtzucht.
Uit die rekening bleek dat Arnaudt toen nog 12 pond, 5 schellingen en 4 groten verschuldigd was. Dit zou ook blijken uit het handboek of rekeningboek van wijlen Christiaen Landtzucht, dat in de zaak werd overgelegd.
Omdat Christiaen vreesde dat de betaling zou uitblijven of verloren zou gaan bij gebrek aan behoorlijke zekerheid, had hij Arnaudt gevraagd een weddinghe of zekerheid te stellen voor het resterende bedrag. Bij een nieuwe afrekening bleek de schuld nog 9 pond, 10 schellingen en 4 groten te bedragen. Daarvoor was de weddinghe vrijwillig verleden.
Deel 7 — De eis van Frans de Bie
Volgens Frans had Arnaudt deze feiten verzwegen toen hij zijn mandement verkreeg. Als de hogere overheid dit had geweten, zou zij hem dat mandement waarschijnlijk niet hebben toegestaan.
Daarom vroeg Frans de Bie dat bij definitief vonnis zou worden verklaard dat Arnaudt zijn mandement op bedrieglijke of misleidende wijze had verkregen. Dat mandement moest nietig worden verklaard en zonder enig gevolg blijven.
Verder vroeg Frans dat de oorspronkelijke gevangenneming, die wijlen Christiaen Landtzucht op grond van de weddinghe had laten uitvoeren, rechtmatig zou worden verklaard en opnieuw volledig gevolg zou hebben totdat Arnaudt de verschuldigde som van 9 pond, 10 schellingen en 4 groten volledig zou hebben betaald.
Deel 8 — Het vonnis van 10 augustus 1565
Beide partijen legden hun stukken, argumenten, informatie en tegenwerpingen voor. Nadat de schepenen alles hadden onderzocht en na beraad met de raad hadden overwogen, werd bij vonnis beslist dat Arnaudt van der Vienne als slechte of onrechtmatige verzoeker van het mandement werd beschouwd.
Daarom bleef de oorspronkelijke gevangenneming, die wijlen Christiaen Landtzucht had laten uitvoeren, in stand en behield zij haar volle kracht. Arnaudt moest de eiser, als vertegenwoordiger van Christiaens sterfhuis, de genoemde som van 9 pond, 10 schellingen en 4 groten betalen.
Bovendien werd Arnaudt veroordeeld tot de kosten, zowel die gemaakt waren voor de Raad van Vlaanderen als die voor de Brugse vierschaar, samen met schade en intresten. Alles moest later door de schepenen worden begroot.
Betekenis voor de familiegeschiedenis
Deze akte is belangrijk omdat zij Christiaen Landtzucht duidelijk situeert als brouwer te Oostkamp. Hij was dus niet alleen een naam in een familieverband, maar ook een economisch actieve persoon die bier leverde, rekeningen bijhield en schulden juridisch liet vastleggen.
De vermelding van een handboek of rekeningboek van Christiaen is bijzonder interessant. Ze toont dat zijn activiteit als brouwer niet louter mondeling of informeel verliep, maar dat er geschreven rekeningen bestonden. In het proces werd zo’n rekeningboek zelfs als bewijsstuk gebruikt.
Ook Barbara Woestlandt komt hier duidelijk in beeld. Als weduwe van Christiaen Landtzucht bleef zij verbonden met diens sterfhuis. Via haar nieuwe echtgenoot Frans de Bie werd de oude schuld verder opgeëist. De zaak toont dus hoe handelsvorderingen na het overlijden van een persoon konden blijven doorwerken binnen het sterfhuis en de nieuwe huwelijkssituatie van de weduwe.
Voor de bredere geschiedenis van de familie Landtzucht / Lantsoght / Landsoght / Van Landschoot is deze bron waardevol omdat ze Christiaen in een concrete beroepscontext plaatst. Hij verschijnt als brouwer, schuldeiser en partij in een juridische nasleep rond geleverde bierwaren.
Bron: SAB, 157 civiele sententien vierschaar 1565-1571, folio 050. Proces tussen Frans de Bie, gehuwd met Barbara Woestlandt, weduwe van Christiaen Landtzucht, en Arnaudt van der Vienne. Vonnis van 10 augustus 1565.
English
Español
Français