Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

Jan Lantsocht filius Christiaens

Een akte over borgstelling, renten en een aanzienlijke schuldvordering van ongeveer 150 pond groten.

👤 Jan Lantsocht 💰 150 pond groten ⚖️ Borgstelling 📜 Renten en bezettingen 👥 Ghelein en Adriaen de Brouckere 📖 Duiding 🏡 Goederen en renten

In deze akte verschijnt Jan Lantsocht, zoon van Christiaen, in een duidelijke financiële rol. Hij wordt niet vermeld als getuige, schepen of toevallige betrokkene, maar als de persoon tegenover wie een belangrijke geldelijke verplichting bestond. De akte maakt duidelijk dat er sprake was van een som van ongeveer 150 pond groten, of mogelijk een iets hogere of lagere som, waarvoor zekerheid moest worden gesteld.

De akte begint met het verschijnen van Michiel de Brouckere, zoon van Ghelein de Brouckere, en zijn echtgenote juffrouw Marie van Cleenen. Zij erkennen dat Ghelein de Brouckere en heer Adriaen de Brouckere voor hen borg waren gebleven of borgtocht hadden gedaan. Die borgtocht hield verband met een verplichting tegenover Jan Lantsocht filius Christiaens.

Anders gezegd: Michiel de Brouckere en zijn vrouw stonden in een schuldverhouding tegenover Jan Lantsocht, en Ghelein de Brouckere samen met heer Adriaen de Brouckere hadden zich daarvoor garant gesteld. Zij traden dus op als borgen. Wanneer de schuldenaars hun verplichting tegenover Jan Lantsocht niet konden nakomen, liepen deze borgen het risico dat zij zelf moesten betalen.

Dat is belangrijk om de akte juist te begrijpen. De lange opsomming van renten, achterstallen, landen, huizen, bomen, hofsteden, meersen, bossen en andere goederen is niet zomaar een lijst van bezittingen, en ook niet noodzakelijk bezit van Jan Lantsocht zelf. Die opsomming dient vooral om de borgen te beschermen.

Als Ghelein de Brouckere of heer Adriaen de Brouckere later zouden moeten betalen aan Jan Lantsocht, of indien zij verplicht zouden worden de schuld te verlengen, voor te schieten of op krediet te nemen, dan wilden zij daarvoor schadeloos gesteld worden door Michiel de Brouckere en Marie van Cleenen. De akte regelt dus niet alleen de schuld tegenover Jan Lantsocht, maar vooral ook de zekerheid die de borgen kregen tegenover de personen voor wie zij borg stonden.

Korte inhoud van de akte
Michiel de Brouckere en zijn vrouw Marie van Cleenen erkennen dat Ghelein de Brouckere en heer Adriaen de Brouckere borg stonden voor een financiële verplichting tegenover Jan Lantsocht, zoon van Christiaen. De som bedroeg ongeveer 150 pond groten. Om de borgen te vrijwaren, verbinden Michiel en Marie hun persoon, hun goederen en een reeks renten en bezette goederen als zekerheid. Jan Lantsocht verschijnt daardoor als schuldeiser of begunstigde van een belangrijke geldelijke verbintenis.
Akte over Jan Lantsocht filius Christiaens als schuldeiser in een borgstelling
Akte waarin Jan Lantsocht filius Christiaens verschijnt als schuldeiser of begunstigde van een borgstelling voor een som van ongeveer 150 pond groten.

De formulering van de akte is streng. Michiel de Brouckere en Marie van Cleenen verbinden zich “de een voor de ander en elk voor het geheel”. Dat betekent dat zij hoofdelijk aansprakelijk waren. Men kon zich dus niet beperken tot elk een deel van de verplichting; ieder van hen kon voor het geheel worden aangesproken.

Niet alleen hun persoon werd verbonden, maar ook hun huidige en toekomstige goederen. Daarbovenop worden verschillende specifieke renten en goederen aangeduid die als bijkomende zekerheid konden dienen. De borgen kregen daardoor de mogelijkheid om achterstallige renten te innen, kwijting te geven, regelingen te treffen met schuldenaars en, indien nodig, zelfs bepaalde rentekapitalen te verkopen wanneer de achterstallen niet voldoende zouden zijn om hen schadeloos te stellen.

De akte draait dus in hoofdzaak om een borgstelling en een zekerheidstelling. Jan Lantsocht staat aan de ene zijde als schuldeiser of begunstigde van de financiële verbintenis. Aan de andere zijde staan Michiel de Brouckere en Marie van Cleenen, voor wie de borgtocht werd aangegaan. Tussen beide partijen staan Ghelein de Brouckere en heer Adriaen de Brouckere als borgen. Zij namen het risico op zich dat zij zouden moeten betalen indien Michiel en zijn vrouw hun verplichtingen niet nakwamen.

Historische duiding

Voor het persoonlijk dossier over Jan Lantsocht is vooral zijn positie in deze akte van belang. De akte toont hem als iemand aan wie een aanzienlijke som verschuldigd was. Een bedrag van 150 pond groten was geen kleine zaak. Het feit dat daarvoor borgen nodig waren en dat vervolgens een hele reeks renten en onroerende goederen als zekerheid werd verbonden, wijst erop dat de verplichting ernstig was en juridisch stevig werd beveiligd.

Men moet voorzichtig blijven met de conclusie dat Jan Lantsocht op basis van deze ene akte zonder meer als rijk kan worden bestempeld. Toch toont de akte wel dat hij in deze context optrad als een kapitaalkrachtige schuldeiser of als houder van een belangrijk tegoed. Zijn naam staat niet aan de rand van de zaak, maar vormt juist de aanleiding voor de hele constructie van borgstelling, schadeloosstelling en zekerheidsstelling.

De opgesomde renten en goederen moeten dus niet worden gelezen als bezit van Jan Lantsocht. Zij vormen vooral de waarborg waarmee Michiel de Brouckere en Marie van Cleenen hun borgen wilden vrijwaren. Jan Lantsocht blijft echter de centrale schuldeiser tegenover wie de oorspronkelijke verplichting bestond.

Goederen, renten en zekerheden in de akte

De akte noemt een lange reeks renten, achterstallen en goederen die als zekerheid werden verbonden. Voor het verhaal rond Jan Lantsocht filius Christiaens is vooral zijn rol als schuldeiser belangrijk. Toch is de opsomming nuttig voor de website, omdat ze toont hoe zwaar deze borgstelling juridisch werd afgedekt.

Deze goederen moeten niet worden gelezen als bezit van Jan Lantsocht zelf. Zij vormden vooral de waarborg waarmee Michiel de Brouckere en Marie van Cleenen hun borgen, Ghelein de Brouckere en heer Adriaen de Brouckere, wilden vrijwaren.

Deel 1 — Eerste renten en verbonden goederen
  • Rente van 4 pond groten per jaar, losbaar tegen de penning 16, bezet op 19 gemeten en 2 lijnen land, met huizen en bomen daarop, gelegen binnen het ambacht van Restiene (Reninge) en in de parochie van Clercken.
    Achterstallig vanaf mei 1594 en daarna.
  • Rente van 4 pond groten per jaar, losbaar tegen de penning 16, bezet op de stad Torhout. Het kapitaal behoorde toe aan heer Adriaen de Crombeke, maar de verlopen renten tot het overlijden van vader of moeder kwamen toe aan de comparant.
    Achterstallig vanaf november 1585 en daarna.
  • Rente van 3 pond groten per jaar, ten laste van Passchier van Straeten en zijn vrouw Maijken, bezet op 26 gemeten meers, bos, vijvers en veld in de parochie van Ruddervoorde. Als voogd wordt Jooris van Rijschote genoemd.
    Achterstallig vanaf maart 1581 en daarna.
Deel 2 — Verdere renten op land, hofsteden en meersen
  • Rente van 2 pond groten per jaar, erkend door wijlen Amand de Cnoc, bezet op 37 gemeten en 4 roeden land in de parochie van Reijghem. De rente verviel jaarlijks op 28 mei en werd gehouden door de weduwe van Maijken de Naghele.
    Achterstallig vanaf mei 1595 en daarna.
  • Rente van 2 pond groten per jaar, losbaar tegen de penning 16, bezet door Frans van Gruusprere voor de schepenen van de heerlijkheid en vierschaar van Peerboom, op 12 gemeten, 2 lijnen en 88 roeden land in de parochie van Torhout ten Daele.
    Achterstallig sinds 13 december 1579 en daarna.
  • Rente van 30 schellingen groten per jaar, erkend door Adriaen de Valckenaere en zijn vrouw Josijne, dochter van Loij de Clercq, bezet op 6 gemeten land, meers en bos in de parochie van Oostkamp.
    Achterstallig vanaf mei 1576 en daarna.
Deel 3 — Goederen rond Oostkamp, Nieuwenhove en Hardoije
  • Rente van 25 schellingen groten per jaar, losbaar tegen de penning 16, oorspronkelijk bezet door Claeijs Mugghe en zijn vrouw, op 4 gemeten en 12 roeden land, meers en bos, met de huizen daarop. Het goed lag onder de heerlijkheid van Nieuwenhove, ver ten westen van de kerk van Oostkamp.
    Achterstallig vanaf de laatste sprokkelmaand 1579 en daarna.
  • Rente van 20 schellingen groten per jaar, erkend voor de schepenen van de prelaat en wet van Sint-Amandsgraven in Pamele en voor de schepenen van het gemeen heerschap van Hordoijn, bezet op een behuisde hofstede in de parochie van Hardoije.
    Achterstallig vanaf maart 1579 en daarna.
  • Rente van 2 pond groten per jaar, als restant van een grotere rente van 4 pond groten, erkend door Christoffels Maenhout voor de schepenen van het land van Woestijne, bezet op zijn behuisde hofstede met huizen en bomen.
    Achterstallig vanaf sprokkelmaand 1580 en daarna.
Deel 4 — Lichtervelde, Wynghene en Ruddervoorde
  • Rente van 2 schellingen per jaar, losbaar tegen de penning 16, bezet door Michiel Lobrecht voor de schepenen van de heerlijkheid en vierschaar van Lichtervelde, op 6 gemeten land en meers.
    Achterstallig vanaf augustus 1593 en daarna.
  • Rente van 20 schellingen groten per jaar, erkend door Loij de Vooght, zoon van Cornelius, voor de baljuw en schepenen van Wynghene. De rente was verbonden op zijn persoon en bezet op een partij land in een plaats genaamd Hoogborchhout.
    Achterstallig vanaf december 1580 en daarna.
  • Rente van 20 schellingen groten per jaar, erkend door wijlen Jan de Clercq, zoon van Gillis, en zijn vrouw Petrinne, voor de schepenen van Wijnendale in Ruddervoorde. De rente was bezet op 17 gemeten meers in de parochie van Ruddervoorde, in een plaats genaamd Heereweghe.
    Achterstallig vanaf mei 1581 en daarna.
Slot — Machtiging aan de borgen

Na de opsomming van de renten en goederen volgt nog een belangrijke bepaling. De borgen mochten de achterstallige renten innen, kwijting geven en met de verschillende schuldenaars regelingen treffen.

Indien de verlopen renten niet voldoende zouden zijn om hen schadeloos te stellen, kregen zij zelfs machtiging om bepaalde rentekapitalen te verkopen en de opbrengst daarvan te gebruiken voor hun vergoeding.

Dit toont hoe stevig de borgtocht juridisch werd afgedekt. De akte was dus niet zomaar een korte schuldbekentenis, maar een uitgebreide zekerheidstelling rond de verplichting tegenover Jan Lantsocht filius Christiaens.

Deze akte geeft daardoor een waardevol beeld van Jan Lantsocht filius Christiaens. Zij toont hem niet alleen als naam in een archiefstuk, maar als iemand die betrokken was bij krediet, borgtocht en renten. De akte laat zien hoe in die periode financiële verplichtingen werden beveiligd door persoonlijke borgen en door het verbinden van renten en goederen.

Voor Jan Lantsocht betekent dit dat hij in deze transactie duidelijk optrad als schuldeiser van betekenis. De borgen, de hoofdelijkheid, de renten en de mogelijkheid om achterstallen te innen of kapitalen te verkopen, tonen samen dat het om een ernstige financiële zaak ging. In de familiegeschiedenis is dit een belangrijke aanwijzing dat Jan Lantsocht niet zomaar een kleine partij was, maar iemand die in een netwerk van krediet, vertrouwen en juridische zekerheid voorkwam.

Wat deze akte betekent voor de familiegeschiedenis

Voor de geschiedenis van de familie Van Landschoot / Lantsocht / Landsoght is deze akte bijzonder waardevol. Zij toont Jan Lantsocht in een sociale en economische omgeving waarin geld, borgstelling en renten een belangrijke rol speelden. Zijn vermelding is niet vrijblijvend: de financiële constructie van de akte draait uiteindelijk rond de som die aan hem verschuldigd was.

De vermelding Jan Lantsocht filius Christiaens is bovendien genealogisch bruikbaar omdat ze zijn vader noemt. Daardoor wordt niet alleen Jan zelf zichtbaar, maar ook zijn plaats binnen een familielijn. In combinatie met andere akten kan deze vermelding helpen om de positie van deze Jan Lantsocht binnen de bredere familiegeschiedenis verder te bepalen.

Bron:FamilySearch Akten Brugge FS film #009046232 afb 406-408/946

Akte betreffende Michiel de Brouckere en juffrouw Marie van Cleenen, met borgstelling door Ghelein de Brouckere en heer Adriaen de Brouckere, wegens een verplichting tegenover Jan Lantsocht filius Christiaens voor een som van ongeveer 150 pond groten.