Pieter van Landschoot
Staat van de twee kinderen van Pieter van Landschoot, met voogden Cornelius van Landschoot en Jan Poppe filius Vincent — Eeklo, 31 mei 1532.
Dossier Pieter van Landschoot
Deze akte betreft de twee kinderen van Pieter van Landschoot. Hun voogden, Cornelius van Landschoot en Jan Poppe, zoon van Vincent, brengen de staat van hun goederen over na het overlijden van hun moeder. De bron toont een klassieke weesrechtelijke regeling, maar is tegelijk bijzonder interessant omdat de vader zelf een borgstelling geeft op zijn goederen.
Belangrijke vroege akte voor familie en goederen
Deze bron is waardevol omdat zij niet alleen de namen van de voogden en de kinderen bevestigt, maar ook duidelijk maakt hoe Pieter van Landschoot zijn catheijlic goet en zijn rechten op hofsteden te Balgerhoucke en Raverschoot inzet als waarborg voor de geldsom van zijn kinderen.
Op eenendertig mei vijftienhonderd tweeëndertig wordt de staat van de twee kinderen van Pieter van Landschoot overgebracht. De voogden zijn Cornelius van Landschoot en Jan Poppe, zoon van Vincent. Zij laten registreren wat de kinderen is toegekomen en verstorven bij het overlijden van hun moeder.
De akte zegt uitdrukkelijk dat het om avelic en catheijlic goet gaat, alles te gelde gemaakt boven commeren, dus na aftrek van lasten. De netto som bedraagt drie pond twaalf penningen groten. Deze penningen blijven rusten onder Pieter van Landschoot, hun vader.
Om de rechten van de kinderen veilig te stellen, heeft hun vader voor deze som aan de voogden al zijn catheijlic goet in handen gesteld, zodat zij zich daarop kunnen verhalen en verekenen. Daarnaast wordt ook verwezen naar concrete onroerende goederen: de helftscheede van een hofstede te Balgerhoucke en de vruchten op de helftscheede van een hofstede te Raverschoot, waar Pieter op dat ogenblik woont.
De tekst voegt eraan toe dat Pieter de penningen moet opleggen wanneer de kinderen te state comen, dus wanneer zij in de geschikte leeftijd of rechtspositie zullen komen om hun goed te ontvangen. Daarmee wordt het tijdelijke beheer van de vader duidelijk onderscheiden van het uiteindelijke recht van de kinderen.
Opmerkelijk is ook de latere toevoeging uit 1557, waarin wordt vermeld dat Callekin, dat is Kathelijne, een van deze wezen, met toestemming van heer burgemeester en schepenen, en mitsgaders trappoort van de weduwe, aan haar goed werd gedaan en dat zij zich tevreden en content verklaart van de staat zoals die in het boek is opgenomen. Daarna volgt de notitie Ergo Royé, wat aangeeft dat de zaak administratief werd afgesloten of afgedaan.
Historische duiding
Deze akte is een mooi voorbeeld van hoe in het vroege zestiende-eeuwse wezenrecht geldsommen van minderjarige kinderen konden blijven berusten onder de langstlevende ouder, mits daartegenover voldoende waarborgen werden gesteld. In dit geval is dat bijzonder duidelijk omschreven door de verwijzing naar zowel catheijlic goet als naar hofstede-aandelen en vruchten.
Voor de familiegeschiedenis is vooral de aanwezigheid van Cornelius van Landschoot als voogd belangrijk. Dat bevestigt opnieuw hoe leden van dezelfde familiekring optraden als wettelijke beschermers van minderjarige erfgenamen. Zulke patronen van voogdij vormen vaak sterke aanwijzingen voor verwantschap en lokaal vertrouwen.
De vermelding van Balgerhoucke en Raverschoot geeft deze bron bovendien een mooie topografische meerwaarde. Zij toont dat de goederen en belangen van de familie niet louter abstract in geld werden uitgedrukt, maar stevig verankerd waren in concrete hofsteden en gebruiksrechten.
Opmerking
De latere notitie uit 1557 over Callekin is bijzonder waardevol, omdat zij aantoont dat minstens één van deze wezen meer dan twintig jaar later nog rechtstreeks met deze oude staat van goed verbonden kon worden. Zulke latere afdoeningen geven vaak een mooie brug tussen een vroege weesakte en de volwassen fase van de betrokken persoon.
Scan
Bron: SAE, Staet van Goed, request 1009, folio 44, 31 mei 1532.
English
Español
Français