Symoen van Landschoot
Staat van de zeven kinderen van Symoen van Landschoot en Maykin, dochter van Laureins Ghijselinc, met voogden Victor De Kethelboetre en Lamsin van Landschoot, en latere afdoeningen door meerdere kinderen en aangetrouwde familieleden — Eeklo, 7 februari 1540.
Dossier Symoen van Landschoot
Deze akte betreft de zeven kinderen van Symoen van Landschoot, geboren uit zijn huwelijk met Maykin, ook Maria genoemd, dochter van Laureins Ghijselinc. Als voogden treden op Victor De Kethelboetre en Lamsin van Landschoot. De bron is bijzonder rijk, omdat zij goederen beschrijft die de kinderen erven zowel van vaderszijde als van moederszijde, en bovendien nog een afzonderlijk erfdeel vermeldt van hun oom Ghysbrecht Ghijselinc.
Belangrijke akte met lange familiale afwikkeling
Deze bron is van groot belang omdat zij niet alleen een uitzonderlijk uitgebreid overzicht geeft van landerijen, meersen en bossen in Eeklo, Raveschoot en het ambacht van Maldegem, maar ook laat zien hoe meerdere kinderen later afzonderlijk hun tevredenheid verklaren over de inhoud van de staat. Daardoor volgt deze akte de familie gedurende meer dan twintig jaar, tot in 1561.
Op zeven februari vijftienhonderd veertig wordt de staat overgebracht van de zeven kinderen van Symoen van Landschoot en Maykin, dochter van Laureins Ghijselinc. Hun voogden zijn Victor De Kethelboetre en Lamsin van Landschoot. Reeds in de marge en in latere notities blijkt hoe deze zeven wezen na verloop van tijd ieder afzonderlijk, of via hun echtgenoten, hun deel van de staat erkennen en de voogden ontslaan.
Zo wordt vermeld dat Jan van Paemele, gehuwd met Mechelijne, een van deze wezen, zich content houdt van de inhoud van deze staat en de voogden ontslaat, op het einde van april 1550. Kort daarna verklaart ook Pieter van Landschoot, zoon van Symoen, zich tevreden, op zestien mei 1550. Daarna volgt Jan van Schoonacker, zoon van Pieter, gehuwd met Kathelijne van Landschoot, die zich eveneens content houdt en de voogden ontslaat op zevenentwintig augustus 1553. Vervolgens doet Laurens van Landschoot hetzelfde op twaalf januari 1554, daarna Berthelemeus Lambrecht, gehuwd met Jaentken of Joanna, op elf september 1558, en tenslotte Marck Stroes, gehuwd met Margriete, op twintig juni 1561. Ook Jacob van Landschoot wordt op elf september 1558 ten blade van zijn goed gedaan.
Wat het erfdeel van vaderskant betreft, wordt eerst vermeld dat de kinderen bij het overlijden van hun vader voor avelic en cateylic goed, te gelde geconsumeerd boven commeren, een som verkrijgen van dertig ponden, acht schellingen, vijf en een halve groten, rustende onder de moeder. Daarbij komt een opmerkelijk uitgebreid geheel van onroerende goederen.
Eerst is er een onbehuusde hofstede te Raveschoot, gelegen over de zuidzijde van de straat, groot vijfhonderd vijftig roeden. Verder volgen vijftig roeden bos in de Vloghe, drie en een half gemet land, een half gemet meersch bachten Dappers in het ambacht van Maldegem, een gemet bos in de moere, een half gemet bos met vijfentwintig roeden in de Cleempitte broucke, zesenzeventig roeden bos te Maesbonin, drie gemet land genaamd Volckaerts bilck in Eeklo, één gemet genaamd Staerte bilck, één gemet vijftig roeden in de Zeepte, één lijn meersch genaamd de Westmeersch, vijfentwintig roeden bos tegenover den Briele, drie gemet land genaamd de Blaecx, één gemet land genaamd de Crebbe, nog een half gemet meersch in den Cleempitte brouc en nog één gemet land in de Zeepte, telkens grotendeels in het ambacht van Maldegem gelegen.
Bovenop deze opsomming bezitten de zeven kinderen ook nog hun gerecht in de helftschede van de behuysde hofstede waar hun vader uit gestorven was. Daarnaast is er nog het achtste deel, samen met hun voornoemde zuster, van een huis te Sluis. Deze staat van vaderszijde wordt overgebracht door de voogden op de datum van de akte zelf, namelijk 7 sporcle 1540.
Daarna volgt een afzonderlijke rubriek van de goederen en gelden van moederskant. Bij het overlijden van hun moeder verkrijgen de kinderen eerst een perceel land te West-Raveschoot, groot vier gemeten, vervolgens een half gemet in de Molenvijverhackere, in Bogaerde een bos genaamd den Criel van zesenzestig roeden, nog vijfentwintig roeden in Pottersdal, vier en een half gemet in de Westblaec, één gemet min twaalf roeden in het Wittebrootstic, een stuk genaamd ’t Peereboomken van een half gemet, een stuk genaamd ’t Velt van drie gemeten, twee gemeten meersch in de Cleemputbrouck en nog één gemet bos in de Vennet.
Voor dit alles, samen met wat hun bovendien aan avelick en cathylick goed verstorven is bij de dood van vader en moeder, wordt de som vastgesteld op zevenenzeventig ponden, dertien schellingen en negen groten, rustende onder de voogden. Deze overbrenging gebeurt door Lamsin van Landschoot en Victoir De Ketelboertre op elf juli 1546.
Ten slotte vermeldt de akte nog een derde rubriek, namelijk de gelden afkomstig van hun oom aan moederskant, Ghysbrecht Ghijselinc. Van hem komt de som van drieëntwintig schellingen en zes denieren groten, rustende onder Cornelius van Schoonacker. Bij latere rekeningen blijken de wezen eerst op zestien mei 1550 nog twaalf ponden, elf schellingen en zes en een halve groten te goed te hebben, rustende onder diezelfde Cornelius van Schoonacker. Vervolgens wordt op achttien juni 1553 genoteerd dat de wezen nog vierendertig ponden, vijftien schellingen en acht en een halve groten te boven blijven, en uiteindelijk op elf september 1558 nog drieënveertig ponden, vijftien schellingen en vier groten. Volgens de notitie werden de twee laatste artikelen met het woord “aangetekend” in marge in het register gerageerd.
Historische duiding
Deze akte is een uitzonderlijk rijke bron omdat zij niet alleen een groot aantal percelen opsomt, maar tegelijk een duidelijk onderscheid maakt tussen goederen van vaderszijde, goederen van moederszijde en gelden die de kinderen verkrijgen via een oom aan moederskant. Voor de familiegeschiedenis is dat van bijzonder belang, omdat zo meerdere verwantschapslijnen binnen één dossier samen zichtbaar worden.
Opvallend is ook hoe sterk de familie over meerdere plaatsen verankerd was. De goederen liggen verspreid over Raveschoot, Eeklo, het ambacht van Maldegem en zelfs Sluis. Namen als de Blaecx, de Crebbe, de Zeepte, de Westmeersch en Volckaerts bilck maken deze akte bijzonder waardevol voor topografische reconstructie.
Daarnaast toont de reeks latere notities hoe een weesakte niet louter een momentopname was, maar een dossier dat over jaren en zelfs decennia verder werd afgewerkt. De opeenvolgende tevredenheidsverklaringen van kinderen en schoonkinderen laten toe om huwelijken, meerderjarigheid en familiebanden in de tijd te volgen. Daarmee wordt deze bron niet alleen financieel of juridisch belangrijk, maar ook genealogisch van eerste rang.
Opmerking
Bijzonder interessant is hier de vermelding van Cornelius van Schoonacker als houder van gelden afkomstig van Ghysbrecht Ghyselinc, de oom aan moederszijde. Samen met het huwelijk van Kathelijne van Landschoot met Jan van Schoonacker wijst dit op een nauwe verwevenheid tussen de families Van Landschoot, Ghijselinc en Van Schoonacker.
Belangrijke genealogische verwijzing
Deze akte is genealogisch bijzonder waardevol omdat zij de familie Van Landschoot rechtstreeks verbindt met de families Ghijselinc en Van Schoonacker. De moeder van de zeven kinderen wordt uitdrukkelijk genoemd als Maykin (Maria), dochter van Laureins Ghijselinc, terwijl bij het erfdeel van hun oom Ghysbrecht Ghijselinc wordt vermeld dat de gelden rusten onder Cornelius van Schoonacker.
Daar komt nog bij dat Jan van Schoonacker, zoon van Pieter, gehuwd met Kathelijne van Landschoot, zich in 1553 tevreden verklaart over de inhoud van deze staat en de voogden ontslaat. Samen tonen deze notities hoe nauw de families Van Landschoot, Ghijselinc en Van Schoonacker met elkaar verweven waren.
Scan
Bron: SAE, Staet van Goed, reeks 1009, folio 161, 7 februari 1540.
English
Español
Français