Ghijselbrecht van Landtschoot
Staat van Annekin (Joanna) en Vintkin (Lieven), kinderen van Ghijselbrecht van Landtschoot en Jaentkin filia Jan Rijckaert, met voogden Joos van Landtschoot en Victoir Danckaert — Eeklo, 5 februari 1554.
Dossier Ghijselbrecht van Landtschoot
Deze akte betreft Annekin, ook Joanna genoemd, en Vintkin, ook Lieven genoemd, de twee kinderen van Ghijselbrecht van Landtschoot, die hij had bij Jaentkin, dochter van Jan Rijckaert. Hun voogden zijn Joos van Landtschoot en Victoir Danckaert. De bron is bijzonder rijk omdat zij niet alleen het eerste vaderlijke erfdeel beschrijft, maar later ook wordt aangevuld met goederen uit de nalatenschap van hun moeder en zelfs van hun grootmoeder.
Belangrijke akte met meerdere fasen van afrekening
Deze bron is uitzonderlijk interessant omdat zij het lot van deze wezen over een langere periode volgt. Men ziet eerst het vaderlijke erfdeel, daarna de waardering van het cathijlic goed, vervolgens de latere aanvullingen uit 1559, 1560, 1566 en 1568, en tenslotte de verschillende rekeningen die aangeven welk bedrag voor de wezen overbleef.
Op vijf februari vijftienhonderd vierenvijftig wordt de staat van goed overgebracht van Annekin (Joanna) en Vintkin (Lieven), de twee kinderen van Ghijselbrecht van Landtschoot en Jaentkin, dochter van Jan Rijckaert. De voogden Joos van Landtschoot en Victoir Danckaert laten registreren wat de kinderen hebben verkregen bij het overlijden van hun vader.
Vooreerst erven zij de helftschede van een halve hofstede, gemeenschappelijk liggend met hun moeder, waar hun vader is overleden. Dit goed, ongeveer twee gemeten groot, omvat ook de huizen en bomen die erop staan en ligt te Balgerhoucke, met het noordeinde aan de grote Balgerhouckstraat en aan de oostzijde palend aan Jan Dijserinck.
Op deze hofstede rusten verschillende lasten. Zo is het goed belast met vijftien schellingen groten per jaar, tegen penning zestien, verschuldigd aan de kinderen van Vincent Lambrecht filius Vincent. Daarnaast rusten er nog vijf schellingen groten ten voordele van Vincent Heijmont, twaalf groten aan de kerk van Adegem, en drie groten aan de cijns van de stad Gent.
Het cathijlic goed dat hierover is verkocht, wordt volgens de rekening van achtentwintig januari vijftienhonderd zestig gewaardeerd op zeven pond, veertien schellingen en vier groten. Daarnaast wordt voor avelic en cathijlic goed, boven alle commeren, nog een som van elf pond groten vermeld. Deze som blijft rusten onder de moeder, die haar kinderen in costume houdt en daarvoor zekerheid stelt met het weerdeel.
Opmerkelijk is dat ditzelfde cathijlic goed, hier in het boek staande op elf pond groten, ook rust onder Joos van Landtschoot, een van de voogden. Hij verzekert de wezen op de behuusde hofstede waarop hij woont, samen met een ander goed dat belast is met vier schellingen groten per jaar losrente, verschuldigd aan Vincent Lippens Janssoone. Ook wordt nog verwezen naar een gemet land gelegen voor Jan Dijserinc, aan de noordzijde van de straat.
Latere aanvullingen uit moederlijke en grootmoederlijke zijde
De akte werd later verder aangevuld. Zo wordt genoteerd dat deze kinderen ook iets verstorven en toegekomen zijn bij het overlijden van hun moeder en van Ampoline, weduwe van Cornelius van Landschoot, hun grootmoeder.
Eerst verkrijgen zij van hun moeder het vierendeel van een behuisde hofstede, waarop Adriaen Dijserinc woont, gemeen met Pieter Roelof Janssoone, belast volgens de oude staat. Daarnaast komt hun achthonderd roeden land in de Meijkens toe, uitkomend aan de noordzijde van de straat en met het zuideinde aan de Veldstraat.
Verder wordt nog vermeld één gemet meersch, met het noordeinde aan de Moerstraat, alsook één gemet land te Balgerhoucke, met het noordeinde aan dezelfde straat, gemeen met de kinderen van Pieter van Landschoot, en verstorven bij hun grootmoeder. Op dit laatste stuk rust een losrente van achttien groten, tegen penning zestien.
Wat het cathijlic goed betreft, worden de voogden belast om daarvan rekening te geven bij de eerstvolgende rekening, samen met één lijn busch gelegen bij het Muelestraetvelt. De heer en de wet hebben de voogden toegestaan deze lijnbusch te verkopen, mits daarvan behoorlijke rekening, bewijs en relique ten voordele van de wezen wordt gedaan.
Daarna volgt de notitie Erga Roije, met de vermelding dat de voogden rekening hebben gedaan op achtentwintig januari vijftienhonderd zestig. Op vierentwintig februari vijftienhonderd achtenzestig wordt de akte opnieuw overgebracht door Victoir Danckaert en Joos van Landtschoot.
Rekeningen en latere afdoening
De rekening vermeldt dat van deze wezen achterblijft, per achtentwintig januari vijftienhonderd zestig, de som van drie pond, vijf schellingen en acht groten. Wanneer deze som wordt afgetrokken van het cathijlic goed van elf pond groten, blijft er voor de wezen nog zeven pond, veertien schellingen en vier groten over.
Verder wordt aangetekend dat er nadien nog rekening werd gedaan over de jaren 1561, 1562, 1563, 1564 en 1565, waarna een volgend slot van rekening werd onderschreven. Op twaalf september vijftienhonderd vierenzestig blijkt nog zeven pond en vier groten achter te blijven.
Interessant is ook de latere notitie dat Hans, een van deze wezen, met toestemming van de heer burgemeester en schepenen en op verklaring van zijn voogden, aan zijn goed werd gedaan op twintig mei vijftienhonderd zesenvijftig. Dat wijst erop dat hij toen reeds zelfstandig kon optreden of zijn deel ontving.
Ten slotte wordt genoteerd dat op twintig mei vijftienhonderd zesenzestig nog een bedrag van vier pond, twaalf schellingen en zes groten ten voordele van deze wezen rustte onder Joos van Landschoot.
Historische duiding
Deze akte is bijzonder belangrijk omdat zij verschillende lagen van familiebezit in één dossier samenbrengt. Eerst ziet men het vaderlijke erfdeel, daarna het beheer van de moeder, vervolgens de rechten die via de grootmoeder toekomen, en tenslotte meerdere afrekeningen die over een lange periode lopen.
Voor de familiegeschiedenis is vooral de rol van Joos van Landtschoot van belang. Hij treedt niet alleen op als voogd, maar ook als degene onder wie later bepaalde sommen blijven rusten en die de wezen op onroerend goed verzekert. Zulke vermeldingen zijn vaak zeer waardevol voor het reconstrueren van verwantschappen en verantwoordelijkheden binnen de familiekring.
De vermelding van Balgerhoucke, Adegem, de Meijkens, de Moerstraat en het Muelestraetvelt geeft deze bron bovendien een sterke topografische rijkdom. Zij toont hoe het familievermogen verspreid was over verschillende percelen en rechten, en hoe zulke goederen stap voor stap in rekeningen en waarborgen werden verwerkt.
Opmerking
Deze akte is niet eenvoudig omdat zij verschillende fasen uit verschillende jaren samenbrengt. Toch maakt juist dat samengestelde karakter haar bijzonder waardevol: men ziet hier niet alleen een oorspronkelijke staat van goed, maar ook de latere administratieve afwikkeling en het uiteindelijke saldo dat voor de wezen overbleef.
Scan
Bron: staat van goed van Annekin (Joanna) en Vintkin (Lieven), overgebracht door Joos van Landtschoot en Victoir Danckaert, 5 februari 1554, met latere aanvullingen van 1559, 1560, 1566 en 1568.
English
Español
Français