Lievin en Jacquemintkin van Landtschoot
Staat van goed van Lievin en Jacquemintkin, kinderen van Arnaut van Landtschoot Janssoone en Cathelijne filia Jan van Velde — Eeklo, 24 september 1561.
Dossier Lievin en Jacquemintkin
Deze akte betreft Lievin en Jacquemintkin, de twee kinderen van Arnaut van Landtschoot Janssoone, die hij had bij Cathelijne, dochter van Jan van Velde. Volgens de tafel van de voogden treden Pieter van Velde en Arnaut van Landtschoot Jacobssoone op als hun wettelijke voogden.
Een rijke en gedetailleerde weesakte
Deze bron is bijzonder waardevol omdat zij niet alleen verschillende onroerende goederen opsomt, maar ook meerdere cijns- en losrenten vermeldt, samen met de vaststelling dat het moederlijk goed uiteindelijk werd uitgekocht tegenover de vader voor een som van vierendertig pond en drie schellingen groten.
Op vierentwintig september vijftienhonderd eenenzestig wordt de staat van goed overgebracht van Lievin en Jacquemintkin, de twee kinderen van Arnaut van Landtschoot Janssoone en Cathelijne filia Jan van Velde. Hun moeder is overleden, en daarom wordt nauwkeurig genoteerd welke goederen en rechten de kinderen uit haar nalatenschap hebben verkregen.
Vooreerst komt hun toe een vierde deel van een behuisde hofstede te Eeklo, gelegen met het westelijk einde aan de Boelaere en ten noorden aan het straatje dat van de Boelaere naar de kerk loopt. Dit aandeel is gemeenschappelijk met hun vader en met hun zuster en broer. Daarnaast erven zij ook een vierde deel van een huis aan de zuidzijde van hetzelfde huis, waar Lieven van Coevoorde woont, eveneens gemeenschappelijk gehouden en belast met een oude erfelijke rente.
Verder bezitten zij nog een vierde deel van een behuisde hofstede, opnieuw gelegen aan de Boelaere en met het straatje naar de kerk als zuidelijke begrenzing. Op dit goed rust een losrente van acht schellingen groten, gerekend tegen penning zestien, die verschuldigd is aan Jan Kervijn Pieterssoone.
Ook in landerijen hebben de kinderen hun aandeel. Zo bezitten zij een vierde deel van een perceel land van ongeveer één gemet en dertig roeden, gelegen in de Corte Moye, met als buren de erfgenamen van Pieter Kervijn, de erfgenamen van Jan van Eede en een watergang. Op dit perceel rust een erfelijke rente van zes schellingen ten voordele van het Sint-Janshuis te Brugge.
Daarnaast erven zij nog een vierde deel van een perceel land van tweehonderdzeventig roeden, gelegen in de Moere, aan de oostzijde van het vaartje. Daar grenzen de goederen aan die van Symoen Pynckele en aan die van de weduwe van Vincent Muesen met haar kinderen. Ook op dit land rust een oude erfelijke rente.
De akte vermeldt vervolgens meerdere cijnsrenten waarvan de kinderen telkens een vierde deel bezitten. Het gaat om een rente van twintig schellingen groten ten laste van Jan Tollins Janssoone, een rente van tien schellingen groten ten laste van Willem de Coninck te Kaprijke, een rente van nog eens tien schellingen groten ten laste van Arnaut van Landtschoot Jacobssoone te Knesselare, een rente van tweeëntwintig schellingen en zes groten ten laste van de weduwe en kinderen van Marck van Landschoot te Knesselare, en ten slotte een rente van elf schellingen en zes groten ten laste van Lowijs de Vos te Knesselare.
Opmerkelijk is dat deze renten allemaal voorlopig onder de vader blijven rusten. De akte besluit dan ook met de vaststelling dat het avelick en cathijlic goed door uitkoop, door de voogden tegenover de vader gedaan, gewaardeerd wordt op de som van vierendertig pond en drie schellingen groten. Ook deze som blijft onder de vader berusten, die het goed van zijn kinderen in handen heeft genomen en daarvoor zekerheid stelt met het weesdeel en volgens de geldende costume.
Historische duiding
Deze akte laat mooi zien hoe een moederlijke nalatenschap in de zestiende eeuw vaak uit vele kleine bestanddelen bestond: delen in huizen en hofsteden, percelen land, en daarnaast ook een reeks jaarlijkse renten. Juist die combinatie maakt deze bron bijzonder rijk. Het bezit van de wezen was niet één enkel goed, maar een samenstel van verspreide rechten en inkomsten.
Voor de familiegeschiedenis is deze bron extra belangrijk omdat zij niet alleen de kinderen en hun ouders noemt, maar ook een netwerk van verwanten en naamgenoten zichtbaar maakt, onder meer in Knesselare en Kaprijke. Vooral de vermelding van Arnaut van Landtschoot Jacobssoone als voogd én tegelijk als schuldenaar van een rente is daarbij zeer betekenisvol.
Ook juridisch is de akte interessant. Hoewel de goederen formeel als weesdeel worden beschreven, blijven de renten en de uitgekochte geldsom voorlopig onder de vader rusten. Dat toont hoe het beheer van minderjarige kinderen in de praktijk vaak in handen bleef van de langstlevende ouder, mits voldoende zekerheid werd gesteld volgens de plaatselijke costume.
Opmerking
De formulering rond de verschillende renten en hun lasten is typisch voor dit soort bronnen. Het is daarom zinvol om deze akte later ook te vergelijken met andere staten van goed uit dezelfde familie, omdat zulke renten vaak terugkeren en zo verwantschappen en eigendomsverbanden helpen verduidelijken.
Scan
Bron: weesakte / staat van goed, overgebracht door Pieter van Velde en Arnaut van Landtschoot Jacobssoone, 24 september 1561.
English
Español
Français