Sybilla van Landschoot
Staat van Hannekin en Betkin, de twee overlevende kinderen van Jan van Praet en Sybilla, dochter van Cornelius van Landschoot, met eerdere voogdijvermeldingen uit 1552 en 1559 en goederen te Balgerhoucke en Maldegem — Eeklo, 28 februari 1562.
Dossier Sybilla van Landschoot
Deze akte betreft uiteindelijk Hannekin en Betkin, de twee overlevende kinderen van Jan van Praet, zoon van Cornelius, en Sybilla, dochter van Cornelius van Landschoot. De bron is bijzonder rijk omdat zij niet alleen de definitieve staat van 1562 bevat, maar ook oudere vermeldingen van dezelfde familie uit 1552 en 1559, toen nog vijf kinderen in leven waren en andere voogden optraden.
Belangrijke akte voor familieverloop en sterfte
Deze bron is zeer waardevol omdat zij laat zien hoe een oorspronkelijk gezin van vijf kinderen tegen 1562 herleid is tot slechts twee wezen, namelijk Hannekin en Betkin. Tegelijk worden goederen samengebracht die afkomstig zijn van vader, moeder, de overleden broers en zuster Franskin, Casekin en Margriete, én van hun grootvrouwe, de weduwe van Cornelius van Landschoot.
De eerste vermelding in dit dossier dateert van 4 september 1552. Dan is Jan van Praet, zoon van Cornelius, reeds overleden en Sibela van Landschoot, dochter van Cornelis, staat vermeld als weduwe. Hun kinderen zijn dan nog Casekin, Fransquin, Hannekin, Grietkin en Betkin. Als voogden worden toen genoemd Ghyselbrecht van Landschoot als paternele voogd en Paeschier Claije als maternele voogd.
Een tweede notitie volgt op 28 januari 1559. Nu worden beide ouders vermeld als zijnde overleden, maar de voogdij is inmiddels gewijzigd: voortaan treden Joos van Landschoot op als paternele voogd en Casin van Praet als maternele voogd. De kinderen worden nog steeds genoemd als Casekin, Fransquin, Hannekin, Grietkin en Betkin.
Op 28 februari 1562 wordt vervolgens de eigenlijke staat overgebracht van Hannekin, dat is Joannes, en Betkin, dat is Elisabeth, de twee kinderen van Jan van Praet en Sybilla van Landschoot. Volgens de tafel zijn de voogden dan Joos van Landschoot en Pieter van Praet. De akte zegt uitdrukkelijk dat deze twee wezen de goederen verkrijgen niet alleen bij het overlijden van hun vader en moeder, maar ook van hun overleden broers en zuster Franskin, Casekin en Margriete.
Eerst erven zij een behuusde hofstede van ongeveer tweehonderd roeden land, gelegen te Balgerhoucke. De ligging wordt nauwkeurig omschreven: met het noordeinde aan de grote Balgerhoucksche straete, ten westen de straat lopende naar Eeklo, en ten oosten Joos van Landschoot. Op dit goed rusten de oude renten die daar van oudsher uitgaan.
Verder verkrijgen Hannekin en Betkin nog één gemet land in het ambacht van Maldegem, genaamd ’t Ackerkin, alsmede zevenendertig roeden meersch in de Westmoer, genaamd ’t Mortierkin. Deze percelen worden in de akte als reeds bevonden beschreven, wat erop wijst dat zij in het bestaande dossier of in eerdere aantekeningen reeds waren opgenomen.
Daarenboven verkrijgen zij bij het overlijden van de weduwe van Cornelius van Landschoot, hun grootvrouwe, samen met hun voornoemde broers en zuster, nog één gemet land te Balgerhoucke in twee partijen, gemeen en onverdeeld met de kinderen van Jan van Landschoot. Deze toevoeging is genealogisch bijzonder interessant, omdat zij de wezen rechtstreeks verbindt met een oudere generatie van de familie Van Landschoot.
Ten slotte wordt nog een geldsom vermeld voor avelic en catheijlic goed. Daarbij wordt aangetekend dat Casin van Praet, broer van de wezen, het geld voorheen onder zich had, en dat deze oudere inschrijving op de andere zijde van het boek geroyeerd staat. Nu de voornoemde kinderen het goed van Nicasius gedeeld hebben na diens overlijden, blijft voor hen nog de som van drie ponden, achttien schellingen en zes deniers groten rusten onder de voogden.
Historische duiding
Deze akte is bijzonder waardevol omdat zij de geleidelijke afname van het aantal kinderen in dit gezin zichtbaar maakt. Waar in 1552 en 1559 nog vijf kinderen worden genoemd, blijven in 1562 enkel Hannekin en Betkin over als wezen in leven. Daarmee documenteert het dossier niet alleen bezit, maar ook het harde demografische verloop binnen één familie.
Voor de familiegeschiedenis is vooral de rol van Joos van Landschoot van belang, die in 1559 en opnieuw in 1562 als voogd optreedt. Ook de eerdere vermelding van Ghyselbrecht van Landschoot als voogd in 1552 wijst erop dat de paternele bescherming van deze wezen stevig in de familiekring Van Landschoot verankerd bleef.
Daarnaast is de akte topografisch interessant door de duidelijke ligging van de hofstede te Balgerhoucke, met verwijzing naar de grote straat en naar Joos van Landschoot als oostelijke buur. Zulke aanduidingen maken deze bron ook bruikbaar voor de reconstructie van de lokale grondeigendommen van de familie in de streek van Eeklo en Maldegem.
Opmerking
De vermelding van de weduwe van Cornelius van Landschoot als grootvrouwe van Hannekin en Betkin is genealogisch bijzonder belangrijk. Samen met de gedeelde grond te Balgerhoucke, gemeen met de kinderen van Jan van Landschoot, legt deze akte een duidelijke band bloot tussen meerdere takken van de familie Van Landschoot.
Scan
Bron: SAE, Staet van Goed, request 1009, folio 301, 4 september 1552; folio 301rto, 28 januari 1559; folio 301v, 28 februari 1562.
English
Español
Français