Neelken en Susanne
Staat van goed van Neelken en Susanne, kinderen van Pieter Lambrecht filius Pieter en Cathelijne filia Jan van Landtschoot — Eeklo, 11 november 1565.
Dossier Neelken en Susanne
Deze akte betreft Neelken en Susanne, de twee kinderen van Pieter Lambrecht filius Pieter, die hij had bij Cathelijne, dochter van Jan van Landtschoot. De staat van goed werd overgebracht door Vincent Lambrecht te Raveschoot en Lieven De Zwaef, in aanwezigheid van hun moeder.
Mooi voorbeeld van moederlijk medebezit
Deze bron is bijzonder belangrijk omdat bijna alle opgesomde goederen uitdrukkelijk vermeld worden als gemeen en onverdeeld met de moeder. Daardoor laat de akte goed zien hoe wezen in de zestiende eeuw rechten bezaten op onroerende goederen, terwijl het gebruik en beheer vaak nog samen met de langstlevende ouder bleven bestaan.
Op elf november vijftienhonderd vijfenzestig wordt de staat van goed overgebracht van Neelken en Susanne, de twee kinderen van Pieter Lambrecht filius Pieter en Cathelijne filia Jan van Landtschoot. De akte legt vast wat de kinderen is toegekomen en verstorven bij het overlijden van hun vader.
Vooreerst erven zij de helft van een behuisde hofstede te Raveschoot, waar hun vader overleden is. Dit goed is ongeveer vijftig roeden groot en paalt met het noordeinde aan de Raveschootstraat. Zoals zo vaak in deze bronnen rust ook hierop een oude erfelijke rente.
Daarnaast bezitten de kinderen de helft van twee stukken land, samen groot vier gemeten en een half, of daaromtrent, gelegen in den Brouc. De akte noemt onder meer kerkelijk land als aanpalend goed, en voegt eraan toe dat deze partij belast is met een losrente van twintig schellingen groten per jaar, tegen penning zestien.
Verder komt hun toe de helft van een bilk land van ongeveer vijftig roeden, gelegen in het ambacht van Maldegem, op een plaats die genoemd wordt als Cleempitte brouck. Aan de oostzijde paalt dit perceel aan het land van de erfgenamen van Jan van Landtschoot, en aan de westzijde aan Pieter Blondeel. Ook dit stuk draagt een oude erfelijke rente.
Nog een ander goed omvat vijfhonderd roeden land, gelegen binnen de keure van Eeklo, in het brouck te Raveschoot, met als buren onder meer Jan de Vulder en Bertholomeus Lambrecht. Daarna vermeldt de akte nog de helft van één gemet land in den brouck, met als aanpalers Joos de Vulder en Vincent Lambrecht, waarbij opnieuw wordt gezegd dat het geheel belast is zoals hiervoor vermeld.
Van bijzonder belang is de uitdrukkelijke clausule dat alle voornoemde partijen gemeen en onverdeeld liggen met hun moeder. Dat maakt deze akte genealogisch en juridisch zeer waardevol: de wezen hebben een erfdeel, maar dat erfdeel is nog niet materieel afgescheiden van het bezit van de langstlevende ouder.
Ten slotte wordt vastgesteld dat het avelic en cayheijlen goed, na aftrek van alle lasten en boven alle commeren, te gelde is gemaakt op een som van zeventien pond, zestien schellingen en zes groten. Deze som blijft rusten op de moeder, die het goed van haar kinderen in gemeenschap behoudt en het verder beheert naar costuijme.
Historische duiding
Deze akte toont mooi hoe het erfdeel van minderjarige kinderen in het zestiende-eeuwse wezenrecht niet noodzakelijk meteen werd opgesplitst in afzonderlijk bezit. Integendeel, de goederen bleven dikwijls gemeen en onverdeeld met de moeder, terwijl het recht van de kinderen wel nauwkeurig werd vastgelegd.
Voor de familiegeschiedenis is deze bron ook belangrijk omdat zij de lijn Van Landtschoot verbindt met de familie Lambrecht, en tegelijk enkele interessante buren en aanpalers noemt, onder wie Jan van Landtschoot, Vincent Lambrecht en de Vulder. Zulke details helpen vaak om verwantschappen, eigendomsverhoudingen en lokale netwerken verder te reconstrueren.
De vermelding van goederen te Raveschoot, in den Brouc en in het ambacht van Maldegem geeft bovendien een waardevol topografisch beeld. Zij laat zien hoe het familiebezit niet op één plaats geconcentreerd was, maar verspreid lag over verschillende percelen en gebruikszones.
Opmerking
De lezing van enkele perceelsgrenzen en plaatsnamen, vooral bij het stuk van vijfhonderd roeden in den brouck, blijft wat moeilijk. Toch is de algemene strekking van de akte zeer duidelijk: het gaat om een vaderlijk erfdeel dat in verschillende percelen uiteenvalt, maar dat juridisch nog samenhangt met het beheer van de moeder.
Scan
Bron: SAE, register 1010, folio 219, 11 november 1565.
English
Español
Français