Pieter van Landschoot
Staat van Nantkin of Aernoudt, kind van Pieter van Landschoot en Passchijne, dochter van Passchier Roelof, met voogden Joos van Landschoot en Jacob Scerpinck — Eeklo, 11 september 1569.
Dossier Pieter van Landschoot
Deze akte betreft Nantkin, ook Aernoudt genoemd, het kind van Pieter van Landschoot en Passchijne, dochter van Passchier Roelof. Als voogden treden op Joos van Landschoot en Jacob Scerpinck. De bron is kort, maar toch bijzonder interessant omdat zij niet alleen een bescheiden wezenkapitaal vermeldt, maar ook een jaarlijkse opbrengst uit een montsoen of onderhoudsgeld van Sebastiaen Kindts.
Kleine akte met duidelijke financiële regeling
Hoewel deze akte slechts één kind betreft en de geldsom beperkt is, geeft zij toch een mooi beeld van de manier waarop wezenvermogen in Eeklo werd geregeld. Naast een bescheiden kapitaal van twintig schellingen groten wordt ook een jaarlijkse uitkering van drieëntwintig schellingen en vier groten vermeld, die de moeder met toestemming mocht lichten, mits voldoende zekerheid.
Op elf september vijftienhonderd negenenzestig wordt de staat overgebracht van Nantkin, dat ook als Aernoudt wordt aangeduid, het kind van Pieter van Landschoot en Passchijne, dochter van Passchier Roelof. Volgens de tafel zijn de voogden Joos van Landschoot en Jacob Scerpinck.
Eerst wordt vermeld dat dit kind bij het overlijden van zijn vader is toegekomen en gesuccedeerd voor avelick en catheylick goed, boven alle commeren te gelde gemaakt, in de som van twintig schellingen groten. Die som blijft rusten onder de moeder. Dat betekent dat het eigenlijke wezenkapitaal voorlopig niet door de voogden werd uitgezet, maar onder het beheer van de langstlevende ouder bleef.
Daarnaast wordt nog een tweede recht vermeld, namelijk drieëntwintig schellingen en vier groten per jaar, komende ter cause van het montsoen van Sebastiaen Kindts. Ook deze jaarlijkse opbrengst werd de weesmoeder toegestaan te lichten, maar niet zonder waarborg. Tot zekerheid voor deze som stelt Frans Dierckins, zoon van Danneel, zich borg en zekere voor het goed beheer ervan.
De akte is daardoor een mooi voorbeeld van een eenvoudige maar duidelijk geformuleerde regeling van wezenrecht, waarbij een minderjarig kind zowel een klein vast kapitaal als een jaarlijkse inkomstenstroom uit een onderhouds- of uitkeringsrecht ontvangt, terwijl de moeder dat onder toezicht mag benutten mits borgstelling.
Historische duiding
Deze akte is klein van omvang, maar zij laat goed zien hoe ook voor één enkel kind een afzonderlijke staat van goed werd opgemaakt. Het wezenkapitaal is hier beperkt, maar de formulering is juridisch zorgvuldig. Dat toont aan hoe sterk het plaatselijke wezenrecht ook in bescheiden dossiers systematisch werd toegepast.
Voor de familiegeschiedenis is vooral de aanwezigheid van Joos van Landschoot als voogd van belang. Zoals in andere akten uit Eeklo verschijnt hij opnieuw als een centrale figuur binnen de familiekring, belast met het toezicht op minderjarige verwanten. Zulke terugkerende voogdijen zijn vaak sterke aanwijzingen voor nauwe bloedverwantschap of minstens voor een duurzame vertrouwenspositie binnen de familie.
Ook de vermelding van het montsoen van Sebastiaen Kindts is interessant. Zij wijst op een jaarlijkse verplichting of uitkering die aan het kind toekomt en die onder voorwaarden door de moeder mag worden gelicht. Dat maakt deze bron tevens waardevol voor het begrip van de lokale praktijk van onderhoudsgelden, renten en borgstellingen in het zestiende-eeuwse Eeklo.
Opmerking
De combinatie van een beperkte vaste som en een jaarlijkse uitkering maakt deze akte bijzonder interessant. Ook bij kleine wezenvermogens werd er in Eeklo blijkbaar op toegezien dat de moeder niet vrij over de inkomsten beschikte zonder voldoende zekerheid, hier gewaarborgd door Frans Dierckins, zoon van Danneel.
Scan
Bron: SAE, Staet van Goed, request 1010, folio 355, 11 september 1569.
English
Español
Français