Joos van Landtschoot
Staat van goed van Kaetkin (Catherina), Lyevytkin (Lieven) en Bazytkin (Blasius), kinderen van Joos van Landtschoot en Vincentyne filia Pieter De Zwaef — Eeklo, 22 juni 1580.
Dossier Joos van Landtschoot
Deze akte betreft Kaetkin (Catherina), Lyevytkin (Lieven) en Bazytkin (Blasius), de drie kinderen van Joos van Landtschoot, die hij had bij Vincentyne filia Pieter De Zwaef. Hun voogden zijn Jan De Zwaef Pieterssoone en Cornelius Roelof. De bron beschrijft het geheel van goederen dat deze kinderen verstorven is bij het overlijden van hun vader én moeder.
Belangrijke akte over het resterende erfdeel van drie kinderen
Deze bron is bijzonder waardevol omdat zij toont hoe, na eerdere regelingen binnen dezelfde familie, het resterende erfdeel van drie kinderen opnieuw nauwkeurig wordt vastgelegd. De akte bevat meerdere hofsteden, percelen land en renten, vooral te Balgerhoucke, en sluit af met een geldsom van drieëndertig pond groten die onder voogdelijk beheer blijft rusten.
Op tweeëntwintig juni vijftienhonderd tachtig wordt de staat van goed opgemaakt van Kaetkin, Lyevytkin en Bazytkin, de drie kinderen van Joos van Landtschoot en Vincentyne, dochter van Pieter De Zwaef. Het gaat om alle goederen die hun zijn verstorven bij het overlijden van hun vader en moeder.
Vooreerst bezitten de kinderen drie vijfde delen in een behuisde hofstede, waar Joos van Landtschoot zelf uit gestorven is. Deze hofstede is in het geheel ongeveer twee zinsen groot en ligt gemeen en onverdeeld met Cornelius Roelof en Lambrecht Lampssins, causa uxoris. De akte voegt eraan toe dat dit goed belast is met sgraven rente, zonder meer.
Daarnaast wordt nog een andere behuysde hofstede te Balgerhoucke vermeld, gelegen aan de noordzijde van de straat, met aan de oost- en noordzijde Steven De Meyere. Deze hofstede is gekomen van Michiel Dierckens en is belast met een losrente van drie schellingen groten, tegen penning zestien, verschuldigd aan Mattheus Dhane, naast de erfelijke rente die er verder uitgaat.
Verder komt aan de wezen toe één gemet en vierenveertig roeden land, gelegen op de westzijde van tevoren Stedekin, met het zuideinde aan de Balgerhouckestraat. Aan de westzijde liggen Cornelius Roelof en Lambrecht Lampssins causa uxoris. Op dit stuk rust een kapitaal van zes pond en vijf schellingen groten, verschuldigd aan de kinderen van Vincent Lippens, naast verdere erfelijke renten van oude tijden.
Ook bezitten zij nog een stuk land van ongeveer twee lijnen, gelegen tegen het noorderland, binnen grachten, tegenover het voorgaande perceel. Aan de oostzijde paalt het aan Steven De Meyere en aan de noordzijde aan Jacob Bolle. Ook dit perceel draagt oude erfelijke renten.
Daarnaast wordt nog genoemd een partij land te Balgerhoucke, genaamd Baudens Van leene hofstede, groot ongeveer vijf lijnen. Aan de oostzijde liggen Cornelius Roelof en Lambrecht Lampssins, aan de westzijde Jacob Bolle. Deze partij is belast met een losrente op een kapitaal van veertien pond groten, verschuldigd aan de wezen van Daniel Lippins, naast de erfelijke renten die van oudsher daarop rusten.
Nog een ander goed is een behuysde hofstede van ongeveer twee lijnen, met het noordeinde aan de Balgerhouckestraat, de heerweg ten westen, en ten oosten de hofstede waar Joos van Landtschoot is overleden. Ook dit goed is enkel belast met sgraven rente, zonder meer.
Ten slotte wordt vastgesteld dat na avelick en catheylick goed, boven alle commeren, nog een som van drieëndertig pond groten overblijft. Deze som rust onder Cornelius Roelof, een van de voogden, die de wezen daarop verzekert.
Latere aanvullingen met renten
De akte voegt nog twee belangrijke bijkomende posten toe. Eerst is er de helft van een rente van drie pond groten per jaar, ten laste van Jan Speeckaert filius Claijs, bezet op een hofstede van ongeveer acht gemeten, gelegen op de heerlijkheid van Aveschoot. Deze rente rust onder Jan De Pauw.
Verder komt hun nog toe de helft van zes gemeten, ten laste van de Vier Leden van het land van Vlaanderen, volgens legger en overeenkomstig de ondertekende kwitantie van Niclaes Van Nieuwenhuysse, met de croosen daarop. Deze bijkomende goederen werden overgebracht door Jan De Pauw en Anthonijs De Smet als voogden.
Historische duiding
Deze akte is belangrijk omdat zij een latere fase toont in de afwikkeling van de nalatenschap van Joos van Landtschoot en Vincentyne De Zwaef. Waar eerdere akten grotere aantallen kinderen vermeldden, gaat het hier nog om drie kinderen, met een duidelijk omschreven resterend erfdeel.
Voor de familiegeschiedenis is vooral van belang dat de goederen opnieuw sterk verbonden blijven met Cornelius Roelof en Lambrecht Lampssins causa uxoris. Dat wijst erop dat verschillende delen van het familiebezit nog steeds in een netwerk van aanverwante erfgenamen en huwelijksverbindingen verweven zaten.
Ook de bijkomende renten op goederen in Aveschoot en tegenover de Vier Leden van Vlaanderen maken deze bron bijzonder nuttig. Zij tonen dat het erfdeel van deze wezen niet enkel uit land in Balgerhoucke bestond, maar ook uit verder reikende financiële rechten en jaarlijkse inkomsten.
Opmerking
De passage over de som van drieëndertig pond groten die onder Cornelius Roelof rust, is deels moeilijk leesbaar in de oorspronkelijke formulering. Toch is de algemene betekenis duidelijk: deze voogd stond in voor de verdere zekerheid van het aandeel van de wezen.
Scan
Bron: SAE, Staet van Goed, request 1010, folio 699, 22 juni 1580.
English
Español
Français