Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

Pater Cyriel Van Lantschoot (Bellem) — China

Missionaris van Scheut in Zuidwest-Mongolië, getuige van een hard maar bezield missieleven in China aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.

Cyriel Van Lantschoot - China 1914
Pater Cyriel Van Lantschoot in Chinees zomerkostuum, gepubliceerd bij zijn brief uit 1914.(Ingekleurde foto)

Cyriel Van Lantschoot werd geboren op 28 januari 1875 te Bellem als zoon van Eduardus Van Lantschoot en Eugenie Standaert. Hij trad in bij de missionarissen van Scheut en werd in 1905 tot priester gewijd. In datzelfde jaar trok hij naar China, meer bepaald naar het missiegebied van Zuidwest-Mongolië, waar hij zou werken in een uitgestrekt en moeilijk bereikbaar deel van het Chinese binnenland.

De verdragen van 1858 en 1860 hadden het enorme binnenland van het Chinese rijk geopend voor westerse zendingsactiviteiten. De missie werd toevertrouwd aan het apostolisch vicariaat van Mongolië. In 1883 werden drie vicariaten opgericht in Zuidwest-Mongolië, of de Ordos-regio, in Centraal-Mongolië en in Oost-Mongolië. Toen het vicariaat van Ordos in 1905 werd versterkt, behoorde Cyriel tot een groep van acht jonge missionarissen die vanuit België vertrokken.

Onder die nieuwe lichting bevonden zich, naast Cyriel Van Lantschoot uit Bellem, ook Gustaaf Capelle uit West-Rozebeke, Kamiel Crabbe uit Oostende, Maurits d’Haene uit Lootenhulle, Cyriel Lefevere uit Isegem, Louis Morel uit Houthem bij Ieper, Antoon Mostaert uit Brugge en Antoon Vinckx uit Baarle-Hertog. Op 7 september 1905 vertrokken zij uit Genua met bestemming Zuidwest-Mongolië.

Een brief uit Siao-Sa-Kiai

Een bijzonder levendig beeld van het missieleven van pater Cyriel vinden we in een brief die hij schreef vanuit Siao-Sa-Kiai op 10 januari 1914. De tekst werd gepubliceerd in Uit Onze Kop, een blad uit Maldegem, op 7 februari 1914. Het was een brief gericht aan “Heer en Vriend Viktor”, maar duidelijk ook bedoeld voor een ruimer lezerspubliek.

In die brief vertelt hij op een warme, soms geestige manier over zijn bestaan op een kleine missiepost. Op zaterdagavond zat hij daar, schrijft hij, in een dorpje waarvan de naam letterlijk zoveel betekende als “Kleine Zandweg”. Hij verbleef er gewoonlijk niet, maar kwam er elke zaterdag naartoe om er op zondag de mis te lezen, zodat de gelovigen niet anderhalf uur ver hoefden te lopen door de bijtende winterkou.

“Dat en ware ook niet doenlijk voor hen met eene koude van dertig centigraden onder vriespunt. ’t Is vele beter dat er enkel een door die koude ga, dan dat zij er allemaal zouden door moeten.”

Siao-Sa-Kiai was een nieuwe christenheid, met nog twee kleinere nederzettingen die ervan afhingen. Samen telden die drie dorpjes ongeveer 160 families, waarvan slechts een vijftigtal bekeerd was. Voorlopig stond er enkel een klein lemen kerkje met een plank als altaar, en daarnaast een eenvoudig kamertje waar de pater min of meer kon verblijven en onderrichten.

Zijn beschrijving van dat onderkomen is bijzonder sprekend. Zijn “villa”, zo schreef hij met ironie, mat precies vier stappen in het vierkant. Zonder moeite kon hij met de hand het dak raken. Zijn eten voor zaterdagavond en zondagochtend bracht hij van thuis mee, bijna zoals een schooljongen met zijn boterham in een stuk gazet. Het leven was er primitief, maar voor Cyriel telde vooral dat er “zieltjes te winnen” waren.

“Mijn villa hier eens zien! Juist vier stappen vierkant, zonder moeite reik ik met de hand aan het dak. Het is nog maar wel dat er hier nooit geene gezondheidscommissie passeert.”

Toch was die eenvoud geen klacht, maar eerder een oproep. Indien hij over voldoende middelen zou beschikken, zo schreef hij, dan zou hij binnen de twee jaar de drie dorpjes volledig kunnen bekeren en bovendien een degelijker huis voor Onze-Lieve-Heer kunnen bouwen, met daarnaast een woning voor de toekomstige pastor. Zo zou deze “Kleine Zandweg” kunnen uitgroeien tot een vaste christelijke kern, van waaruit opnieuw de omliggende heidense dorpen bereikt konden worden.

De olievlek van de zending

Eén van de mooiste beelden uit zijn brief is de vergelijking van het bekeringswerk met een olievlek op vloeipapier. Zoals olie zich langzaam maar zeker over het papier verspreidt, zo kon ook het christendom zich uitbreiden over de omliggende dorpen — maar alleen als er telkens opnieuw “olie” werd toegevoegd. Met die olie bedoelde hij heel concreet: geldelijke hulp, onontbeerlijk voor het opbouwen van missieposten, kerken en pastorijen.

“Mijn kladpapier ligt open: ’t zijn de drie dorpjes hier. Wie geeft er mij olie, goede olie, veel olie, om ze er op uit te gieten? En deze Kleine Zandweg wordt een breede hemelweg voor vele, vele zieltjes.”

Het missieleven was echter niet alleen arm en eenvoudig, maar ook gevaarlijk. In 1913 hadden de missionarissen niet minder dan zeven confraters verloren aan tyfus. Voor Cyriel hoorde ook dat bij het missionaire bestaan. Hij schrijft dat hij tot dan toe zelf nog niet met die droeve ziekte had kennisgemaakt, maar dat vroeg of laat zijn beurt misschien ook wel zou komen, aangezien maar weinige missionarissen eraan ontsnapten.

Die woorden tonen de ernst van zijn roeping. Zij worden tegelijk getemperd door een diepe berusting:

“Nu, al wat O. L. H. wil; en moeten wij vallen, dat het dan zij voor de zieltjes en ook voor onze familie en vrienden.”

Een foto en een nieuwjaarsgroet

Bij zijn brief voegde pater Cyriel ook een foto van zichzelf in Chinees zomerkostuum. Met een glimlach schrijft hij dat men hem daarop heel goed kan herkennen en dat zijn “In den naam des Vaders” er voortaan deftig uitziet. De foto geeft de brief een heel persoonlijk karakter: niet alleen de missionaris spreekt, maar ook de man achter de roeping, die zijn familie, vrienden en lezers een zalig nieuwjaar wenst.

Tegelijk koppelde hij die groet aan een speelse maar ernstige bede: hij hoopte dat iedereen hem voor nieuwjaar “elk nen frank” zou schenken, zodat hij die op de “Bank” bij Onze-Lieve-Heer kon zetten, een bank die nooit springt maar “honderd voor een, blijvende hemelintresten” oplevert.

Bekijk de missiekaart →

Inzamelingen voor pater Van Lantschoot

Die oproep bleef niet zonder gevolg. In de weken na publicatie van de brief verschenen in de krant meerdere berichten over giften voor de zending van pater Van Lantschoot. De eerste bijdrage bedroeg 11 frank, waaronder giften van de familie Storme. Daarna volgden schenkingen uit Adegem, Oostwinkel, Eeklo, Cortemark, Dudzele, Aarsele, Brugge, Bellem, Vynckt, Ursel, Knesselare, Lotenhulle, Lembeke, Moerkerke, Lapscheure, Sint-Laureins, Antwerpen, Hansbeke, Aalter en zelfs uit Eede in Nederland.

Opvallend is dat ook overzee steun kwam. In de krant van 11 april 1914 lezen we: “Uit Fairfield, Iowa, USA van Alfons en August Van Lantschoot voor hunnen neef 3 dollars.” Dat toont hoe het netwerk van familie en naamgenoten zelfs tot in Amerika reikte.

De inzameling groeide snel. Tegen Pasen 1914 was het bedrag al opgelopen tot ruim 251,10 frank, waarna het “Paaschpenning” naar China werd gezonden. Enkele dagen later stond de teller al op 268 frank.

Betekenis

De correspondentie van pater Cyriel Van Lantschoot is een uitzonderlijke getuigenis van het leven van Vlaamse missionarissen in het verre China aan het begin van de twintigste eeuw. Ze laat niet alleen de religieuze ijver en de praktische moeilijkheden van het missiewerk zien, maar ook de sterke band tussen missionaris en thuisfront. De lezers van ’t Getrouwe en Uit Onze Kop leerden in hem geen verre onbekende kennen, maar een dorpsgenoot, een familielid, een man van eigen bodem die in een andere wereld zijn roeping beleefde.

Waar lag Siao-Sa-Kiai?
De missiepost die pater Cyriel Van Lantschoot in zijn brief vermeldt lag waarschijnlijk in de Ordos-regio van Binnen-Mongolië, binnen de grote bocht van de Gele Rivier. Lees meer over de Ordos-missie →

Zo verbindt deze brief Bellem, Maldegem en het Meetjesland met de verre zandwegen van Mongolië — en maakt hij van pater Cyriel Van Lantschoot een opmerkelijke figuur binnen de bredere familiegeschiedenis.

Bronnen: brief van pater Cyriel Van Lantschoot uit Siao-Sa-Kiai, 10 januari 1914, gepubliceerd in Uit Onze Kop (Maldegem, februari–april 1914), met opeenvolgende berichten over inzamelingen voor zijn zending.