Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

Pieter van Landschoot

Staat van de vijf jongste kinderen van Pieter van Landschoot en Livina, dochter van Joos Valcke, met voogden Joos van Landtschoot en Jan Blondeel, en latere aanvullingen over Grietkin, Ampolinia en goederen te Balgerhoucke — Eeklo, 11 juli 1551.

📍 Eeklo 📜 Staat van Goed 🗓️ 11 juli 1551 ⚖️ Voogdij 👤 Pieter van Landschoot 👤 Livina filia Joos Valcke 👤 Joos van Landtschoot 👤 Jan Blondeel 🌾 Balgerhoucke 💰 12 s. 7 gr. 📖 Scan

Dossier Pieter van Landschoot

Deze akte betreft de vijf jongste kinderen van Pieter van Landschoot, die hij had bij Livina, dochter van Joos Valcke. Volgens de tafel werden als voogden aangesteld Joos van Landtschoot en Jan Blondeel. De akte is bijzonder interessant omdat zij in verschillende fasen werd aangevuld, met notities uit 1551, 1560 en 1566, zodat zij een zeldzaam langlopend beeld geeft van het beheer van wezenvermogen binnen dezelfde familiekring.

Belangrijke akte met latere afwikkelingen

Deze bron is waardevol omdat zij niet alleen een kleine geldsom vermeldt die de kinderen erven van hun zuster Grietkin, maar later ook een bijkomend erfdeel beschrijft uit hun grotevrouw Ampolinia, weduwe van Cornelius van Landtschoot. Bovendien toont de akte hoe wezenvermogen werd veiliggesteld door borgstellingen op roerende goederen en op een behuysde hofstede te Balgerhoucke.

Op elf juli vijftienhonderd eenenvijftig wordt de staat overgebracht van de vijf jongste kinderen van Pieter van Landtschoot en Livina, dochter van Joos Valcke. Hun voogden zijn Joos van Landtschoot en Jan Blondeel, zoon van Arent. Het eerste dat wordt geregistreerd, is dat deze kinderen bij het overlijden van hun zuster Grietkin de som van twaalf schellingen en zeven groten verkrijgen, welke rust onder de voogden.

Nog in hetzelfde jaar wordt genoteerd dat deze som van twaalf schellingen en zeven groten rustende is onder Joos van Landtschoot, waarna Jan Blondeel Arentszoon van die last wordt ontslagen, op vierentwintig januari vijftienhonderd eenenvijftig. Verder wordt vermeld dat de moeder van de kinderen gemachtigd werd deze som te lichten uit de handen van voormelde Joos van Landtschoot, maar dat zij daartegenover roerende goederen in zekerheid stelde.

Het gaat daarbij om twee koedsen, twee bedden, een strijne met een lijs, drie ketels, een bekkene en drie tafelen. Deze huisraad diende als verhaal voor het geval de voorzeide som niet zou worden teruggegeven. De notitie is bijzonder boeiend omdat zij een zeldzaam concreet beeld geeft van de eenvoudige inboedel die als waarborg kon dienen voor een beperkte wezenvordering.

Later wordt aan deze staat toegevoegd dat de voornoemde wezen nog iets anders toekomt en verstorven is bij het overlijden van Ampolinia, weduwe van Cornelius van Landtschoot, die hier uitdrukkelijk hun grotevrouw wordt genoemd. Het betreft eerst één gemet land, of de plaats zoals die binnen de grachten gelegen is te Balgerhoucke, gemeen met de kinderen van Ghijselbrecht van Landtschoot, met ten zuiden de grote heirweg en ten noorden de Balgerhoucke strate. Deze toevoeging werd overgebracht door Joos van Landtschoot en Jan van Landtschoot, zoon van Pieter, als voogden, op vijf februari vijftienhonderd zestig.

Bij een latere rekening, op negenentwintig november vijftienhonderd zesenzestig, blijkt dat van twee van de kinderen nog een overschot bleef van achttien schellingen en vier groten, rustende onder Joos van Landtschoot. Daarna wordt uitdrukkelijk vermeld dat het navolgende toebehoort aan de twee kinderen Adriaen en Arnout van Landtschoot. Ook wordt genoteerd dat Jan Baes gehuwd is met Maijken, dochter van Pieter van Landtschoot, dat Pieter van Landtschoot uit de voogdij is gedaan, en dat Jan van Landtschoot zich daarmee content houdt.

Vervolgens wordt gerekend over de koop van een half gemet land dat hiervoor in het boek staat, gekocht door Joos van Landtschoot, waarvoor de som van vier ponden en twee schellingen rustende blijft onder diezelfde Joos. Tot zekerheid stelt hij zijn behuysde hofstede te Balgerhoucke, groot één gemet, met alles wat daarop en daarin is, gelegen met ten oosten de weduwe van Jan van Loo, ten westen de kinderen van Jan van Praet en ten zuiden de heirweg, belast met zes ponden ’s jaars sgraven schuld. In dezelfde afrekening wordt nog twaalf schellingen genomen uit de achttien schellingen die te boven gebleven waren, omdat de moeder gemachtigd was deze te lichten.

Ten slotte verschijnt op acht december vijftienhonderd zesenzestig Berthelmeeus de Wulf als borg voor Jan van Landtschoot, zoon van Pieter, voor het lichten van nog eens twee ponden en één schelling groten, meer de helft die hiervoor in het boek staat, te gebruiken als wezen-geld in rente. Daarna, op vijfentwintig maart 1566 oude stijl, vóór Pasen, stellen Pieter van Landtschoot, zoon van Pieter, en Cornelius Staes, zoon van Jacob, zich borg voor diezelfde som van twee ponden en één schelling groten, met de croise daaraan clevende, zodat Berthelmeeus de Wulf van zijn eerdere borgstelling wordt ontslagen.

Transcriptie (originele tekst)
Staet van vijf joncxste kinderen van Pieter Van Landtschoot die hij hadde bij Livina filia Joos Valcke. (Volgens de tafel, voochden Joos Van Landtschoot en Jan Blondeel). Eerst es den zelven kinderen toecomen bij den overlijden van Grietkin huerl(iedre) zustre de some van 12 schellingen 7 groten rusten onder de voochden. Overbrocht bij Joos Van Landtschoot ende Jan Blondeel filius Arentssoone voochden den 11 julij 1551. De some van 12 schellingen 7 groten zijn rustende onder Joos Van Landtschoot ..... , ergo danof Jan Blondeel Arentssoone ontslaghen, actum den 24 Lauwe 1551. De voorsijde some van 12 schellingen 7 groten zijn de moedre ghecenteert te lichtene uten handen vanden foren(oemden) Joos Van Landtschoot voochd, en stelt te vooren, in verzekerthede van de selve some in de handen van zelven Joos Van Landtschoot. 2 Coedtsen, 2 bedden, en een strijne metgaders een lijs 3 ketels en een bekkene en 3 tafelen, ome bij ghebreke vanden restitutie van voorsijde some ertoe verzocht zijn. daer ome te verhaelene; actum den 24 Lauwe (januari) 1551. De kindren moedre heeft van Joos Van Landtschoot, Noch es de voorn(oemde) weesen toecomen en verstorven bijde overlijden van Ampolinia weduwe van Cornelius Van Landtschoot huerl(iedre) grootevrouwe. Eerst 1 ghemet landts ofte de plaetse zo die ghestaen en gheleghen es binnen grachten ligghende te Balgherhoucke ghemene metten kindren Ghijselbrecht Van Landtschoot comene metten zuudthende anden grooten eerwech Noort de Balgerhoucke strate. Overbrocht bij Joos Van Landtschoot en Jan Van Landtschoot Pieterssoone voochden desen 5 februari 1560. Gherekent van de twee kindren en bleven te boven desen 29 novembre 1566 de some van 18 schellingen 4 groten rustende onder Joos Van Landtschoot. De twee kindren te weten Adriaen en Arnout Van Landtschoot behoort toe t'naervolgh. Jan Baes ghetrout hebben Maijken filia Pieter Van Landtschoot. Pieter Van Landtschoot es uut voogdijen ghedaen. Jan Van Landtschoot hout hem die content. Eerst over den coop van een alf ghemet landts hiervooren te boucke staen ghecocht bij Joos Van Landtschoot de some van 4 ponden 2 schellingen rustende onder Joos Van Landtschoot, ende doet zekere met zijn behuusde hofstede staen te Balgherhoucke groot 1 ghemet met datter up en inne is oist weduwe Jan Van Loo, West de kindren Jan Van praet, zuudthende anden eerwech, belast met 6 ponden t sjaers Sgraeven scult, actum den 29 novembre 1566, ende noch 12 schellingen comende vanden 18 schellingen groten, hiervooren datze te boven waren bij rekeijn en zijn gheconsenteert de moedre te lichtene. Berthelmeeus de Wulf weijs presenteert hem sekere voor Jan Van Landtschoot filius Pieters voor tlichten van 2 ponden 1 schelling groten meer dhelft hiervooren te boucke staen die te ghebruucken in vorme van Weesen ghelde in rente. actum desen 8 dec 1566. hedent desen 25 Maartij 1566 voor paesschen; so constitueerden heml(iedre) zeker en borghe voor de voorn(oemde) 2 ponden 1 schelling groten metten croise daranne cleve (:clevende:) Pieter Van Landtschoot Pieterssoone, ende Cornelius Staes Jacopssoone, ende te dien upzichte es ontsleghen Berthelemeeus De Wulf de voorgew. borghe; Actum at Supra.

Historische duiding

Deze akte is op het eerste gezicht bescheiden, omdat zij begint met een relatief kleine geldsom uit het overlijden van een zuster. Maar juist die eenvoud maakt haar boeiend: zij toont hoe ook kleine bedragen zorgvuldig in het wezenboek werden genoteerd, bewaakt en opnieuw beveiligd. De notitie over de roerende goederen van de moeder geeft bovendien een levendig beeld van de materiële wereld waarin deze familie leefde.

Nog belangrijker is dat de akte in latere aanvullingen uitgroeit tot een bron over bredere familieverhoudingen. De vermelding van Ampolinia, weduwe van Cornelius van Landtschoot, als grotevrouw van de kinderen, is genealogisch waardevol. Zij verbindt deze wezen met een oudere generatie binnen de familie Van Landtschoot en laat tegelijk zien hoe goederen in Balgerhoucke over meerdere takken gedeeld konden worden, onder meer met de kinderen van Ghijselbrecht van Landtschoot.

Voor de geschiedenis van de familie is ook de lange afwikkeling tot in 1566 van belang. De akte toont hoe voogdijen konden verschuiven, hoe kinderen intussen volwassen of gehuwd raakten, en hoe wezenvermogen in de praktijk vaak werd omgezet in renten of gewaarborgd op onroerend goed. Daarmee is deze bron niet enkel een momentopname uit 1551, maar een dossier dat meer dan vijftien jaar familiale en juridische opvolging zichtbaar maakt.

Opmerking

De formulering over de grotevrouw Ampolinia, weduwe van Cornelius van Landtschoot, verdient bijzondere aandacht. Zij kan een belangrijke schakel vormen bij het reconstrueren van de oudere generaties en van de onderlinge verwantschap tussen de takken van Pieter, Joos, Jan en Ghijselbrecht van Landtschoot in Balgerhoucke en omgeving.

Belangrijke genealogische verwijzing

Deze akte verdient bijzondere aandacht omdat de kinderen van Pieter van Landschoot hier ook goederen ontvangen uit het overlijden van Ampolinia, weduwe van Cornelius van Landtschoot, die uitdrukkelijk hun grotevrouw wordt genoemd. Daarbij wordt bovendien vermeld dat dit bezit te Balgerhoucke gemeen is met de kinderen van Ghijselbrecht van Landtschoot. Deze notitie vormt dus een waardevolle verwijzing naar een oudere generatie binnen de familie en naar de nauwe samenhang tussen verschillende takken van het geslacht Van Landtschoot.

Zie in dit verband ook de weesakte van Ghijselbrecht van Landtschoot uit 1554, waarin dezelfde familiekring en het bezit te Balgerhoucke verder zichtbaar worden.

Scan

Weesakte Eeklo van 11 juli 1551 betreffende Pieter van Landschoot
SAE — Staet van Goed — request 1010 — folio 285v — 11 juli 1551

Bron: SAE, Staet van Goed, request 1010, folio 285v, 11 juli 1551.