Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

English version English Versión en español Español Version française Français

Hospice Landschot — Deel 1

In het midden van de zeventiende eeuw besloot Cornelis Lantschot, geboren op 10 februari 1573 en overleden op 26 april 1656, een belangrijk deel van zijn nalatenschap ten goede te laten komen aan de armen van Antwerpen. Uit zijn testament van 12 juni 1654 blijkt hoe zorgvuldig hij dat voornemen omschreef: eerst moesten al zijn schulden, legaten, schenkingen en eventuele latere beschikkingen volledig worden voldaan; wat daarna nog overbleef, bestemde hij voor de Kamer van de Schamele Armen van de stad. Daarmee legde hij de basis voor wat later het Hospice Landschot zou worden.

De wil van de stichter

Het testament laat zien dat Cornelis Lantschot zijn vermogen niet beschouwde als iets dat enkel binnen de familie moest blijven. Nadat alles wat hij nog verschuldigd was betaald zou zijn, wilde hij dat het overschot van zijn middelen en goederen aan de stedelijke armenkamer zou toevallen, maar niet zonder duidelijke voorwaarden. Zijn nalatenschap bestond hoofdzakelijk uit contante penningen, uitstaande schulden, wisselbrieven en geld dat als deposito dagelijks kon binnenkomen. Ook verwees hij uitdrukkelijk naar de sommen die Robert Laman voor hem beheerde.

Die gelden mochten volgens hem niet doelloos blijven liggen. De aalmoezeniers van de stad moesten samen met zijn executeurs, zodra zich een goede gelegenheid voordeed, die kapitalen omzetten in zekere en profijtelijke bezittingen: gronden, erven, of degelijk gehypothekeerde renten, eventueel ook op de consumpties van de stad Antwerpen. Hier klinkt niet alleen de voorzichtigheid van een vermogend man door, maar ook zijn vertrouwen dat de beheerders van de armenkamer met “goede affectie ende liefde” zouden handelen. Pas wanneer dat alles degelijk geregeld en uitgevoerd zou zijn, mocht men overgaan tot de stichting zelf.

“... dat make, geve, ende legatere ick alles aende Camere vande schamele armen binnen dese stadt van Antwerpen, mette exspresse conditien ende lasten hiernaer volgende.”

Een godshuis voor twaalf oude mannen

De kern van Cornelis’ voornemen was de oprichting van een godshuis voor twaalf oude en gebrekkige mannen. Het ging uitdrukkelijk om mannen die niet langer konden werken, maar die wel met een goede naam en faam hadden geleefd. De stichting moest dus niet zomaar behoeftige mensen opvangen, maar vooral eerzame ouderen die hun krachten verloren hadden en in hun laatste levensfase verzorging nodig hadden.

Hun onderhoud werd nauwkeurig omschreven. Elke week zouden zij een gewone hoeveelheid rogge- en tarwebrood ontvangen, zoveel als zij nodig hadden, verder één pond Hollandse kaas en tien stuivers in geld. Jaarlijks moest men hun bovendien honderd mutsaarden, ofwel de tegenwaarde daarvan in goede harde turf, bezorgen. Het gaat om een sobere maar vaste verzorging, een regeling die tegelijk voedsel, brandstof en een kleine geldsom omvatte.

De zorg voor het materiële leven van de bewoners ging samen met aandacht voor hun geestelijk welzijn. In het godshuis moest namelijk ook een klein kapelletje worden gebouwd en met passende ornamenten worden ingericht, “totten dienste Goidts ende tsijnder eeren”. Daarin diende elke zondag een mis te worden gelezen door de kapelaan die ook de dagelijkse mis voor Cornelis liet opdragen in de Sint-Jacobskerk, in de kapel van de Zoete Naam Jezus. Samen zouden de bewoners daar bidden voor de ziel van hun weldoener.

Voor deze mis en voor enkele uitdelingen van brood en kaas op de vier grote feestdagen van het jaar had de stichter bovendien een afzonderlijk kapitaal van 24.000 gulden nagelaten.

Toezicht, benoemingen en blijvende zorg

Ook over het bestuur liet Cornelis niets aan het toeval over. Voor de helft van de plaatsen mochten zijn naaste verwanten kandidaten voordragen; voor de andere helft kregen zijn executeurs samen met de aalmoezeniers die bevoegdheid. De beheerders moesten ervoor zorgen dat het huis steeds van het nodige voorzien was en goed onderhouden bleef. Reparaties mochten niet worden verwaarloosd.

Boven de poort of deur van het gesticht moest in steen worden uitgesneden dat hij een dergelijk godshuis had gesticht. Die wens toont hoe Cornelis zijn stichting niet als een vluchtige gift zag, maar als een blijvende en zichtbare instelling, die openlijk herinnerde aan haar oorsprong. Tegelijk vroeg hij vriendelijk aan de aalmoezeniers om alles ordelijk in hun gewone boeken te noteren en daarvan de nodige stukken, brieven en bewijzen te bezorgen aan zijn vrienden en executeurs. Alleen zo kon, naar zijn overtuiging, alles “tot eeren van Godt ende welvaren vanden armen” duurzaam worden bewaard.

Opmerkelijk is ook de slotgedachte van zijn testament. Cornelis verklaarde dat deze stichting tevens zou dienen tot restitutie van mogelijk onrechtvaardig verkregen goed. In die formulering klinkt de religieuze gevoeligheid van zijn tijd door: rijkdom moest uiteindelijk niet alleen nuttig worden besteed, maar ook het geweten van de stichter zuiveren.

Bronbasis van deze reconstructie:
Le compte moral de l’an XIII des hospices civils de la ville d’Anvers, uitgave 1898, p. 150–153, met daarin het uittreksel uit het testament van Cornelis Lantschot van 12 juni 1654.