Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

Hospice Landschot — Deel 2

Op 15 maart 1658 werd het plan van Cornelis Lantschot tastbaar. Toen werd, voor de schepenen van Antwerpen, de grond en bestaande bebouwing aangekocht waarop het toekomstige godshuis zou verrijzen. De akte is lang en juridisch van toon, maar laat zich lezen als het beslissende ogenblik waarop een testamentaire wens overging in stedelijke werkelijkheid.

De verkoopsters en hun erfgoed

Voor de Antwerpse schepenen Jan Maria Charles en Jeronimus de Maeyer verschenen meerdere leden van de familie Peeters. Magdalena Peeters, dochter van wijlen Geeraert Peeters en Magdalena van der Haeghen, trad op met haar echtgenoot Peeter de Clerck. Ook haar zuster Sara Peeters verscheen, die eerder weduwe was geweest van Gillis Backereel en inmiddels gehuwd was met Jacques Elsenaers. Daarnaast was er hun zuster Geertruijt Peeters, nog ongehuwd maar ouder dan vijfentwintig jaar. Verder handelden Peeter de Clerck en Jacques Elsenaers ook als voogden over de kinderen Elisabeth Backereels en Geeraert Elsenaers.

Samen verklaarden zij dat de executeurs van het testament van wijlen Cornelis Lantschot — de stedelijke thesaurier Jan Baptista Batkin, samen met Louis le Candele en Robert Laman — met toestemming en in aanwezigheid van de toenmalige aalmoezeniers 7.000 gulden ineens hadden betaald. Daartegenover verkochten de comparanten, ten behoeve van de Kamer van de Armen van Antwerpen, het onroerend goed dat uit hun familiebezit stamde.

De betaalde koopprijs bedroeg “seven duijsent gul. eens”, een aanzienlijk bedrag dat rechtstreeks voortkwam uit het sterfhuis van Cornelis Lantschot.

Het perceel achter het Façons-klooster

De akte beschrijft nauwkeurig wat werd verkocht. Het ging eerst om een stuk erf met daarop een huis, voorzien van een keuken, drie benedenkamers, een bovenkamer, zolders, een kelder, verfhuisjes of een stal, grond en alle toebehoren. Dat geheel droeg de naam “het Hoeffijser”. De totale oppervlakte bedroeg zeventien roeden en tweehonderd tweeënveertig voeten, maten inbegrepen.

Het goed lag achter het Façons-klooster, naast het Hessenhuis, tussen het huis en erf van meester Guilliam Verwilt aan de noordzijde en het tweede, hieronder beschreven perceel aan de zuidzijde. Daarnaast werd nog een tweede stuk erf verkocht, inmiddels aan het eerste toegevoegd, met een speelhuisje, kelder, een afhangsel en schouw, opnieuw met grond en alle toebehoren, aansluitend tot aan het erf van Jacques Verschrieck.

De eigendomsgeschiedenis werd eveneens vastgelegd. De goederen waren afkomstig uit de nalatenschap van Magdalena van der Haeghen, moeder en grootmoeder van de betrokken comparanten. Zij en haar echtgenoot Geeraert Peeters hadden ze in bezit gekregen via erfenis van meester Cornelis van Nispen in 1527. Later, in 1642, was een deel van de eigendom haar toevallen bij de verdeling van de nagelaten goederen van haar man. In haar testament van 7 april 1657 had zij vervolgens haar erfgenamen in drie staken aangewezen: Magdalena Peeters als eerste staak, de twee kinderen van Sara Peeters als tweede, en Geertruijt Peeters als derde.


Openbare verkoop en overdracht

Om voor de erven en huizen de hoogste prijs te verkrijgen, had men ze vooraf openbaar laten uitroepen en veilen op de vrije Vrijdagmarkt van Antwerpen, onder leiding van Jan Heck, gezworen oude-klerenkoopman. Na vele en lange oproepen, op vrijdag 1 maart van datzelfde jaar, werd de hoogste bieding aangenomen namens de executeurs en ten behoeve van de Armenkamer. De formele koop sloot dus aan op een openbaar en voor iedereen toegankelijk verkoopproces.

De comparanten droegen daarop het huis, de erven, de grond en alle toebehoren volledig en vrij over aan de Kamer van de Armen. Zij verklaarden dat zij voortaan geen enkel recht meer op de eigendom behielden. Alleen de lopende huur van de hofgebruiker Adriaen Buyens bleef behouden tot de eerstvolgende Sint-Jansmis.

Daarmee kreeg de stedelijke armenzorg een concrete bouwplaats in handen. De akte laat er geen twijfel over bestaan waarvoor de aankoop bedoeld was: de gronden en huizen waren gekocht met de uitdrukkelijke bedoeling om er een godshuis voor twaalf oude, gebrekkige manspersonen op te maken, geheel overeenkomstig de bepalingen van het testament van Cornelis Lantschot.

Bronbasis van dit deel:
akte van aankoop van 15 maart 1658, opgenomen in Le compte moral de l’an XIII des hospices civils de la ville d’Anvers, uitgave 1898, p. 151–153.