Dom Ildefons Lanslots (1859 - 1941)
Carolus Martinus Lanslots werd geboren te Sprundel (Noord-Brabant) op 11 februari 1859. Zijn ouders waren Franciscus en Maria van Aalst. Op elfjarige leeftijd trad hij binnen in het college van Herentals in België, en op veertienjarige leeftijd werd hij opgenomen in de orde van Sint-Benedictus in Affligem, nabij Brussel. Hij trad in te Affligem en kreeg de naam Ildefons. Hij legde zijn geloften af op 20 augustus 1875.

Zijn oom, Clodoald van Aalst, werd afgezet als superior van Affligem en wou de congregatie verlaten. Dom Ildefons nam het voor hem op en schreef een brief aan de abt-generaal dat hij zijn oom wou volgen. Hij bedacht zich echter en bleef in Affligem.
Missie in Oost-Bengalen
Na het voltooien van zijn klassieke, filosofische en theologische studies werd hij in 1880 tot subdiaken gewijd. In datzelfde jaar werd hij uitgezonden naar Chittagong in Bengalen, waar hij gedurende ongeveer acht jaar missionaris was onder de bevolking van Oost-India. Op 12 juni 1881 werd hij benoemd tot onderpastoor van de kathedraal aldaar, een stad ten oosten van Calcutta. Tijdens zijn vierjarige diensttijd daar leverde hij een belangrijke bijdrage aan de oprichting van een grote weeshuisschool. Nadien stichtte hij een missiepost in Burrisal, eveneens in Bengalen, waar hij later ook een kerk wist te bouwen. Onder zijn leiding bekeerden velen zich van het boeddhisme en het brahmanisme tot het christendom. Om de bevolking beter te bereiken, gebruikte hij de schaarse vrije tijd die hem restte om belangrijke religieuze werken te vertalen in de taal van de plaatselijke bevolking.
De stad had twee kerken. Als de bisschop niet thuis was moest Dom Ildefons tweemaal mis lezen en preken in het Engels en in het Bengaals. Eigenlijk missiewerk onder de heidenen bestond er niet: de missionarissen zorgden vooral voor de reeds aanwezige katholieken. Dom Ildefons had er de zorg voor 1100 katholieken. Hij was er graag.
Hij kreeg een nieuw missiegebied onder de heidenen en er was een kleine parochie. Het werk te Burrisal beviel Dom Ildefons. Zijn missiegebied kon hij enkel per water bedienen. Het was een gebied totaal onbekend bij de missionarissen en Mgr. Ballsieper had hem de toestemming verleend om het vormsel toe te dienen.
Cholera was er de gevreesde ziekte en dysenterie kwam er veel voor; ook Ildefons had ermee te kampen.
Dom Ildefons begon met de vertaling van de Bijbel in het Bengaals, maar vond geen missionaris die het Bengaals kon lezen zodat het werk uiteindelijk niet werd gedrukt.
Uiteindelijk werd het missiewerk onmogelijk. Mgr. Ballsieper verbleef in Europa en Affligem stuurde geen mannen meer. Dom Ildefons zond een brief aan de Propaganda met de vraag om versterking of de missie op te doeken.
In 1889 keerde pater Lanslots terug naar Europa. Net als op zijn heenreis naar het Verre Oosten bezocht hij Rome, waar hij ditmaal werd toegelaten tot een audiëntie bij de paus, met wie hij een bijzonder onderhoud had. Na verdere reizen door Europa werd hij aangesteld als professor in de wijsbegeerte aan zijn alma mater, het college van Affligem.Amerika en Oklahoma
In 1892 stak hij opnieuw de Atlantische Oceaan over en kwam aan in New York. Van daar trok hij verder westwaarts, waar hij werd belast met de zielzorg van de Osage-indianen in Pawhuska (Oklahoma). Op Nieuwjaarsdag 1894 werd hij door de bisschop benoemd tot pastoor van de Sint-Jozefkerk in Oklahoma City. Deze kerk had niet alleen het grootste aantal gelovigen in het territorium, maar was ook het eerste kerkgebouw dat in de stad werd opgericht. Wat begon als een kleine gemeenschap van dertig gelovigen, die samenkwamen in een winkel aan California Street kort na de opening van het gebied voor kolonisatie, groeide gestaag uit tot een bloeiende parochie. Op 8 september 1889 werd het huidige kerkgebouw plechtig ingewijd. De eerste pastoor, eerwaarde C. F. Scallan, die tevens verantwoordelijk was voor kerken in Edmond en Deer Creek, werkte met grote ijver en succes. Hij werd in mei 1890 opgevolgd door eerwaarde F. G. DeGroote, een Belg van oorsprong, die later naar Utah vertrok en daar enkele jaren nadien overleed. Onder het bestuur van pater Lanslots werden plannen opgevat voor de bouw van een pastorie, een parochiale school en een missiekerk in Conception, op ongeveer acht mijl afstand, waar zich talrijke katholieke gezinnen hadden gevestigd. Hij kon de voltooiing van deze plannen echter niet meemaken, aangezien men hem naar Auckland (Nieuw-Zeeland) wilde uitzenden, waarna het werk in Oklahoma werd toevertrouwd aan pater Hilary Cassal van de abdij van het Heilig Hart. De school, geleid door de Zusters van Barmhartigheid, kende een sterke groei en speelde gedurende acht en een half jaar een belangrijke rol in de lokale gemeenschap. Ongeveer 125 kinderen volgden er regelmatig onderwijs. De kerk van Conception werd ingewijd op 8 december 1892. Later werd pater Cassal tijdelijk opgevolgd door pater Leo, de toenmalige prior van de abdij van het Heilig Hart, waarna uiteindelijk pater Lanslots opnieuw de leiding op zich nam. De parochie van Sint-Jozef verwierf ongeveer twee en een halve acre grond van de Fairlawn Cemetery Association voor de aanleg van een katholieke begraafplaats. Daarnaast kochten de Zusters van Barmhartigheid een terrein nabij de stad voor de oprichting van een meisjesschool, terwijl de Zusters van Sint-Franciscus een perceel ten noorden van de Emerson-school aankochten en er een ziekenhuis bouwden met plaats voor vijftig tot zestig patiënten. Pater Lanslots was zeer geliefd bij zijn gelovigen, en terecht: hij toonde een oprechte belangstelling voor het welzijn van ieder lid van zijn parochie. Zijn inzet voor de groei van de Kerk stond buiten kijf, en alles wat haar ten goede kwam, beschouwde hij als zijn hoogste doel. Naast zijn pastorale arbeid was hij ook actief als schrijver. Hij publiceerde verschillende kerkelijke werken, waaronder een Leven van Sint-Benedictus, Meditaties voor elke dag van het jaar en een verklaring van de mis en haar ceremoniën, in het Vlaams en deels ook in het Engels. Tijdens zijn verblijf in India had hij bovendien reeds meerdere werken in de Bengaalse taal geschreven. Voor zijn wetenschappelijke en intellectuele verdiensten werd hem door de benedictijnen in Rome de graad van doctor in de wijsbegeerte toegekend.In 1899 was hij terug in Affligem maar op 30 juni 1892 vertrok hij naar Indian Territory in de V.S.A., waar hij rector was van de Sint-Jozefkerk in Oklahoma City. De bisschop wou liever seculiere priesters dan benedictijnen en de abt-generaal riep hem terug. Voorheen woonde hij kort in Quebec, Montreal volgens de telling van 1891 (bron: ancestry.com).
Het viel Dom Ildefons bijzonder zwaar Oklahoma te verlaten want hij schoot er goed op met de bevolking.
Rome en de missie in Transvaal
In 1906 was hij opnieuw te Affligem en werd hij belast met een opdracht in Rome, waar hij met de consultor alle mogelijke inlichtingen over de missie in Transvaal moest nemen. Die inlichtingen vielen negatief uit en zowel Dom Ildefons als de consultor kwamen tot de conclusie dat men moest uitzien naar een andere missie.
Van 1907 tot 1910 verbleef hij meestal te Rome, waar hij ijverde voor een missie te Simla (India), hoewel hij in 1907 reeds was benoemd als overste van de missie en het op te richten klooster in Noord-Transvaal. Dom Ildefons was altijd tegen die missie geweest en vertrok ook nu niet naar Transvaal.
Op 22 december 1910 werd er een nieuwe apostolische prefectuur in Noord-Transvaal opgericht en toevertrouwd aan de benedictijnen.
Bekijk de paspoortaanvraag van 1915 →
Hij begon vlug geld in te zamelen, want hij wist hoe arm de missie was, en vertrok vanuit Antwerpen op 1 mei met een groep van vier priesters en twee broeders uit Affligem, Dendermonde en Merkelbeek.
Ze kwamen aan op 30 mei in de haven van Durban en vertrokken naar Pietersburg. Daar werden ze opgewacht door Dom Thomas, die een leegstaande winkel had gehuurd als verblijfplaats voor de missionarissen. De eerste opdracht voor Dom Ildefons was de taakverdeling.
De pioniers kregen een nieuwe taak en aan de jonge missionarissen begon Dom Ildefons in de residentie Engels te geven. Aangezien de prefect als hoofddoel had de inlandse bevolking te evangeliseren, was het uiteraard aangewezen om het Sesutho aan te leren. Hij zond zijn drie jonge priesters naar Hardenberg, waar ze bij de trappisten Sesutho konden studeren.
Een realistisch project? Hij dacht van wel. Hier zien we wat we de tragiek van Dom Ildefons Lanslots zouden kunnen noemen: hij was een man met visie, boordevol initiatieven, maar vaak lukte het hem niet resultaten te boeken. Vooral Dom Frederik Osterrath, die aanvankelijk veel vertrouwen in hem stelde, zou hem dat later heftig verwijten.
In 1912 verlieten twee pioniers de missie: Dom Thomas en Broeder Eligius. De prefect vond ze geen goede missionarissen en zij van hun kant waren de vernederende opmerkingen van de prefect beu. In hetzelfde jaar kwamen drie nieuwe missionarissen uit Merkelbeek in Pietersburg aan.
De abt-generaal had als conditio sine qua non voor het aanvaarden van de missie geëist dat er een monastiek centrum zou komen. In 1912 liet de prefect te Pietersburg, op eigen grond, een kleine residentie bouwen. De prefect was gelukkig te laten weten dat de missionarissen nu een thuis hadden waar ze van tijd tot tijd konden komen uitrusten, verzorgd konden worden bij ziekte en bezinningsdagen konden doorbrengen.
Dit laatste kon men slechts enige tijd volhouden.
In 1913 kocht de prefect Helderfontein als missie met de naam O.L. Vrouw van Lunsklip. Later kwamen er twee andere missieposten: Dwarsriver en Noodshulp. In Potgietersrus kwam er een kapel. In 1913 vertrok de laatste van de pioniers, Dom Victor, naar Katanga. De prefect vond het een treurige zaak dat men opgescheept zat met Noodshulp. Hij was gelukkig dat in 1913 eindelijk, na heel wat onderhandelingen, vier zusters dominicanessen uit Newcastle kwamen om in Pietersburg te zorgen voor onderwijs.
Alles scheen nu in orde. Missionarissen waren geinstalleerd in hun posten, mooi verdeeld over de prefectuur. De zusters dominicanessen waren een onbetaalde hulp voor de paters. Alles leek ok, maar...
Reacties op de houding van de prefect konden niet uitblijven. De missionarissen deden hun beklag bij de visitator. Om uit de impasse te geraken bepaalde het provinciaal kapittel in 1913 dat er in de missie, naast de prefect, voor de monniken een reguliere overste moest komen. Op zoek naar geld vertrok de prefect in november 1913 naar Amerika. Dom Frederik werd eind 1913 benoemd tot regulier overste. Wegens het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zou de prefect pas in december 1915 kunnen terugkeren naar Pietersburg.
Gedurende de oorlog liepen de Duitse paters gevaar. Dom Libentius Schepers werd geinterneerd en het lukte de prefect niet hem vrij te krijgen waardoor de Duitse paters zich onterecht tegen de prefect keerden.
In 1916 ondertekenden al de priesters van de prefectuur een gemeenschappelijk schrijven van zeven bladzijden waarin zij nog eens al hun misnoegdheden betreffende de prefect voorlegden aan de Propaganda Fide.
Enkele missionarissen keerden terug naar Europa zodat er op het einde van de oorlog in 1918 slechts drie paters en de prefect overbleven.
Dom Ildefons kreeg in 1918 zijn mijtertje, iets waar hij volgens zijn tegenstanders steeds naar streefde. Rome had blijkbaar vertrouwen in hem en gaf Mgr. Lanslots nog een belangrijke opdracht.
Mariannhill en laatste missiejaren
In 1919 werd Dom Ildefons benoemd tot apostolisch visitator van Mariannhill. Samen met een jezuiet trok hij er naartoe voor verschillende maanden. Mariannhill (Durban) was de talrijkste trappistenabdij ter wereld met niet minder dan 250 monniken.
Na een tijd kwam de vraag of het trappistenleven te verzoenen viel met het missionair leven. Uiteindelijk werd Mariannhill in 1909 omgevormd tot een nieuwe Congregatie. Dom Ildefons had hier te maken met een heel gevoelige kwestie en vervulde goed zijn opdracht. De visitators stelden Rome voor om Mariannhill te verheffen tot apostolisch vicariaat. Rome ging op dit voorstel in en zo was iedereen tevreden.
In 1920 hielp Dom Ildefons benedictinessen van Tutzingen die omwille van de Duitse nederlaag verdreven waren uit Tanganica (Tanzanie). Hij verkreeg de toelating van de regering en ze kwamen naar Zuid-Afrika zonder dat hij hen onderdak kon geven. De zusters waren verbaasd waarom ze niet naar Pietersburg konden komen.
Terug naar Amerika en laatste jaren in Affligem
In 1921 bood Dom Lanslots zijn ontslag aan als apostolisch prefect. Toen hij in Noord-Transvaal aankwam waren er 106 katholieken, bij zijn vertrek waren er 607.
Op 14 mei vertrok hij over Rome naar de V.S.A. Eerst was hij werkzaam in de Saint-Anselmparochie te New York en vervolgens werd hij professor in het seminarie van Noord-Carolina. In 1925 verbleef hij in de abdij van Belmont, in 1927 was hij vicaris voor de religieuzen in Oklahoma City en in 1931 kapelaan van het Saint-Anthony Hospital.
In 1932 keerde hij definitief terug te Affligem. Abt Benedictus Van Schepdael had hem beloofd dat hij een taak zou krijgen in het aartsbisdom Mechelen, maar dat gebeurde niet. In Affligem bleef hij actief als predikant en biechtvader.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij naar de abdij van En Calcat (Zuid-Frankrijk), waar hij enige maanden verbleef.
Hij overleed te Affligem op 29 mei 1941, enkele dagen voor zijn diamanten priesterjubileum. Tussen 1891 en 1931 publiceerde hij zestien werken, meestal in het Engels, over liturgie, apologetica, kerkelijk recht en ascetiek.
Met dank aan Frank Teirlinck (Affligem).